26. mrt, 2022

Heup doet leven

Dankbaar ben ik. Voor de geleende krukken, alle aandacht die ik weer krijg. Een week nadat mijn kind uithuizig is, breek ik mijn heup.

Ik kan er een heel spectaculair verhaal van maken, maar de werkelijkheid is dat ik met nul in het uur van mijn fiets aflazer. Ik mis het knopje van het stoplicht, realiseer me dat mijn rechtervoet niet helemaal tijdig de grond raakt en ik stort ter aarde. Als een blok beton. En vol, vol op mijn heup. Niet meer, niet minder. Gelukkig is daar mijn vriendin die me met haar gebroken rug naar boven probeert te takelen. Hoe fijn is het als bijna superarts Erik voor me afstapt en met ons meedenkt hoe nu verder. Ik kan niet staan en verkies de vluchtheuvel zo midden in het zonnetje. Ik lig prima, ik hoor het wel wat er gaat gebeuren. Uren later lig ik met morfine in mijn lijf naar het plafond te staren. Klaargestoomd voor een operatie, want ik ben “pechvogel” van de dag. Ik heb een breuk en een hele mooie, dat dan weer wel. Maar zonder operatie gaat het ‘m niet meer worden. Er wordt gesproken over een katheter, geriatrie. Zijn ze helemaal idioot. Vriendin en ik lachen onze broek aan flarden. Nou, vriendin dan. Die van mij is inmiddels uit.

Een dag later word ik geopereerd. De ruggenprik is niet helemaal afdoende en ik voel de boor, de hechtingen. Mijn grootste nachtmerrie wordt werkelijkheid, want dit is, zo zegt chirurg later, ‘natuurlijk niet de bedoeling’. De pijn is uit te houden en ik houd me zo rustig mogelijk. Na de operatie is er alle hens aan dek, stijgt mijn bloeddruk en word ik platgespoten. Geen pijn meer, heerlijk slapen en misselijk weer wakker. Drie schroeven fixeren de boel en een dag later mag ik weer naar huis. Dat ik alleen ben, is ineens een dingetje. Nou ja, meer een ding. Het kind biedt aan te komen, maar het lijkt me niet nodig. Als er maar een plek is voor Bram ergens, dan komt het goed. Die plek is er. Via de kennel belandt deze bij de vader van het kind. Hoe lief en hoe fantastisch dat Bram naar zijn oude baas kan. De komende zes weken.

En zo zit ik ineens weer met krukken in de tuin. In korte broek, in de zon. Mijn baas brengt voor zestien dagen lasagna met zelfgebakken brood, mijn vriendin komt met kippensoep en kaas.  Collega’s staan met fruit, ovenschotel en koolsalade op mijn stoep. Met mijn kind doe ik samen de boodschappen. Aan aandacht kom ik niets tekort. Collega’s en vrienden, ze zijn er. Zelfs het lief op afstand staat na een dag of wat enigszins verlegen in mijn tuin. Zijn arm en knuffel zijn warm en oprecht. Voor even is er geen gedoe en staat er niets tussen ons in. Is het weer zoals het zou moeten zijn, namelijk samen.

Een onstuimig begin van de lente. Zal het een voorbode zijn voor de rest van het jaar? We gaan het zien. Eerst maar herstellen. Alle lieverds koesteren die er voor me zijn, zodat we straks, als mijn krukken aan de wilgen hangen, aan één lange tafel in mijn tuin kunnen eten en drinken. Van boze droom naar een hele leuke.