17. feb, 2022

Het land van ooit

Mijn kind heeft de sleutel. De sleutel van zijn huis. “Kom je ook kijken mam?” Tuurlijk, tuurlijk kom ik kijken. Met in mijn achterhoofd dat tegelijk met mij daar ook zijn schoonouders en zijn vader met partner zullen zijn. En ik alleen. Wederom alleen.

 Het huis is leuk. Zonder meer. Grote keuken, leuke kamer en weergaloze plek. In het centrum van de stad waar ik ben geboren. Trots laat mijn kind zijn nieuwe onderkomen zien. De kast waar alle kleren in komen, zijn badkamertje, de wc, berging en washok. Ik knik en knik. Want hoe mooi is het allemaal. Tegelijk slik ik de opkomende tranen weg. Want nog een paar weken en ik ben echt alleen. Moederziel alleen.

Samen rijden we naar huis. Met het kind achter het stuur. Dit kon wel eens voorlopig de laatste keer zijn dat we in deze setting samen zijn. Ik slik en slik. Want de tranen zitten hoger dan hoog. Ik ben blij voor die twee. Meer dan. Trots ook dat ze het gewoon aandurven en doen. Maar het besef, dat er eenentwintig dikke jaren voorbij zijn gevlogen, is er ook. Waarom heb ik er niet nog veel meer van genoten?

Eenmaal thuis ga ik gauw naar de wc. Ik wil niet dat hij ziet dat ik eigenlijk zo verdrietig ben. Dat ik die tranen nu echt niet meer binnen kan houden. “Zo mam, lekker potje zitten janken?”, vraagt hij mierzoet als ik er met natte ogen weer vanaf kom. Nee zeggen heeft geen zin, mijn bibberlip zegt genoeg. “Geeft niks, het moet er toch een keer uit.” En daar ga ik weer. Snotterend schuil ik me tegen zijn grote lijf, voel ik zijn armen om me heen. Ik voel zijn kus boven op mijn hoofd. Ik ben klein. Oud. Alleen.

’s Nachts om drie uur ben ik klaarwakker. Half hyperventilerend hap ik naar adem. Nog meer tranen. Nog veel meer tranen. Niet te stelpen, niet te houden. Ik laat het, wil voor één keer zo zielig zijn als maar kan. Voor de aller-, allerlaatste keer. Ik neem het me stellig voor. Mijn kind raak ik niet kwijt, die verdwijnt slechts wat uit zicht. Hoe anders lijkt het soms met mijn lief.

We zijn voorbeeldig. Het lief en ik. Geen onvertogen woord. Alles is politiek correct. Beleefd. Onze gesprekken kabbelen, af en toe een kwinkslag, af en toe steken we onder water. Nou ja “we”, ik vooral. Maar er zijn geen hartstochtelijke bekentenissen meer, we zeggen niet meer hoeveel we elkaar missen. Hij zit niet meer aan mijn keukentafel en we bellen mondjesmaat. Tijd lijkt het toverwoord. Ik probeer alles los te laten, me niet te laten leiden door gevoel. Want ik ga alle kanten op. Van boos en verdrietig tot blij en smoorverliefd. Zeker weten dat ik niks nooit meer iets met hem wil, tot stellig overtuigd dat we straks samenwonen in dat land van ooit. Want in ons sprookje, dat sprookje van hij en ik, daar blijf ik in geloven. "En ze leefden nog lang en gelukkig".