12. aug, 2021

21

Het kind is jarig. Eenentwintig zomers telt hij nu. Het is een feestje waard. Maar dan moet het kind dat wel willen.

En daar zit ik. In een feestelijk versierde kamer, zijn kadootjes en kaarten her en der verspreid. Het kind zelf is er niet. Zal ik vrij nemen? Zo vroeg ik hem vorige week. “Nee hoor mam, dat hoeft niet.” Zijn liefste heeft een ontbijtje voor hem geregeld. Ik heb thuis dus niets te zoeken. Zal ik dan ’s middags vrij nemen? “Och als je dat wilt? Ik moet wel werken en mijn prik halen. ’s Avonds moet ik golfen. Maar als je wilt eten we samen?” Dat laatste doen we. Op een hol en draf. We hebben zeggen en schrijven twintig minuten. Snel een biefstukje met brood, een kom geraspte komkommer. Het feestmaal op bestelling. Dankbaar geeft hij me een boks. En een kus. “Dank mam. Het was heerlijk. Tot morgen.”

Het is even wennen. Het kind vliegt uit. Zo hoort het, zo moet het zijn. Maar moederkip mist haar kuiken. Nu al, nog voordat hij het nest verlaten heeft. Hoe snel is het gegaan. Zo zit hij in pyama bij me op de bank en kus ik gretig zijn mollige voetjes. Telkens weer. Oneindig lekker. En zo zit hij een meter of wat van me vandaan op een andere bank met maat 44 in afgetrapte gympen. En is dat kussen van in ieder geval zijn voeten voor altijd verleden tijd. Toch geniet ik. Van zijn haast, zijn drukte. Van dat grote mooie mens dat hij is. Slik ik bij zijn ongezouten kritiek op het pad dat ik voor mezelf heb uitgekozen. Het pad dat hij veroordeelt, omdat het anders kan en anders moet. Voor even vergeet ik dat het kind nog altijd wel een schop of wat onder zijn kont kan gebruiken. Al is het alleen maar om het pepertje dat daar in zou moeten zitten enigszins te activeren.