8. jun, 2021

Loslaten

Ik heb het lekker geregeld. Damn. Van een paar weken vrij in gedachten, ineens fulltime aan het werk. De maand opzegtermijn blijken er twee te zijn. En dus werk ik, met inwisseling van veel vrije dagen, de maand juni op twee kantoren tegelijk. En dat terwijl ik snak naar gewoon een week of wat vrij. Tussen de beide kantoren door, maar ook omdat mijn laatste vakantie vorig jaar zomer was.

Voor al het feestgedruis uit, haal ik braaf mijn prik. Met vriendin rij ik op zondagmorgen vroeg naar de grote ijsbaan, waar zelfs dranghekken klaar staan. Om 8.15 uur ben ik aan de beurt. Het is super goed geregeld allemaal. Maar ohoh, wat krijg ik een fout gevoel in mijn lijf. Mijn hele generatie keurig in de rij. Wachtend op dat wat ons moet helpen het gewone leven weer op te pakken. Geen idee waarom, maar het massale vliegt me naar mijn keel. Toch wacht ik braaf in de rij. Kijk ik met kloppend hart schijnbaar stoïcijns hoe de naald in mijn arm verdwijnt en er god mag weten wat in gespoten wordt. De Jansen schijnt wat dikker en vetter te zijn, zo hoor ik later. Nou, dat is wel duidelijk. De naald blijft te lang daar waar ik hem niet wil. Maar hé, ik ben stoer. Toch?

Ingeënt en wel geniet ik van de mooie dagen buiten op mijn terras. Fiets ik in korte broek naar kantoor en loop ik met mijn blonde vriend door het park. Zo dan, die zon is welkom zeg. Minder welkom is mijn spiegelbeeld. In korte broek en bikinibovenstuk is er weinig te verhullen en veel te zien. En natuurlijk steekt juist op dat moment een hele leukerd (maar mannelijker dan mannelijk) zijn olijk hoofd boven mijn poort uit. Vluchten kan niet meer. Iets aanschieten ook niet. Dapper houd ik mijn buik in en ga gauw zitten. Alhoewel, als ik sta lijkt het minder erg. Een schietgebedje en hopen dat ie vooral naar mijn ogen kijkt. Het is genoeg. Ik ga op rantsoen. Geen koekjes, geen ijs, geen chocola. Ik sla alle dropronden op kantoor over. Trotseer het zoveelste gebakje. Opdat die vriend nog eens een keertje terug komt.

Op het bijna oude kantoor neem ik afscheid van mijn liefste collega ooit. Hij gaat op vakantie en als hij terugkomt, ben ik gevlogen. Weer moet ik iemand achterlaten.  En weer zit ik met een grote bibberlip en tranen op de fiets. Waarom is het voor mij altijd zo godvergeten moeilijk om los te laten. Ik heb hem nog maar weer net gevonden. Onlangs was de verjaardag van de gymmert. En nee, ik heb geen contact meer. Nul. Toch spookt hij door mijn hoofd, zit hij af en toe in mijn dromen. Niet de liefde van mijn leven, maar wel een heel fijn mens. Ik stuur niets. Geen berichtje, geen kaartje. Niets. Opdat ik leer los te laten?