22. mei, 2021

Weekend

Giechelend stap ik op mijn fiets. Geen idee wat me te wachten staat, maar dat het een avontuur gaat worden is zeker. Het waait en het waait hard. Heel hard. Een verkeerd zetje en ik beland in de berm. Of nog erger in de sloot. Toch ga ik.

Vol goede moed verlaat ik het centrum. Voor me niets anders dan polder. Weilanden met tulpen, koeien en schapen. Ik zet me schrap, want vloog ik vanmorgen moeiteloos naar kantoor, nu heb ik de wind tegen. En goed ook.  Mijn fiets is krachtig en mijn benen, na al die kilometers de laatste weken, best wel sterk. Dit kan ik hebben. Zo denk ik monter. Tot de eerste kronkel in de weg en de wind niet meer van voren, maar van opzij komt. Vol in mijn flank. Voor het eerst in mijn leven ben ik blij dat ik mijn gewicht in de strijd kan gooien. Al die overtollige kilo’s die ik vervloek, blijken ineens nuttig. Want ik kan me nog maar net overeind houden. Genadeloos word ik naar de andere kant van de weg gezwiept. En niet één keer, nee een paar keer. Ik giechel niet meer, maar rijd als een malle, met de tong uit mijn mond, van bocht tot bocht. Ik zie geen tulp, koe of schaap. Vandaag is het mijn strijd tegen de elementen. Hoorde ik iemand niet ooit zeggen dat hij dit Hollandse weer zo miste? Deze wind? Nou, hij mag ‘m hebben. Nu, morgen en overmorgen. Hard trappen vind ik niet zo erg, maar dit is drie keer niks. Bloedlink ook. Maar wie A zegt? Verbeten trap ik door. Natuurlijk red ik het, maar hoe blij ben ik als ik het dorp binnenrijd waar ik ooit woonde. Lekker in de luwte, beschut door de huizen naast me.

Thuis plof ik in een stoel. Mijn jas houd ik aan. Mijn schoenen ook. Ik kan geen B meer zeggen. Mijn kind grijnst, staat op punt van weggaan. Hij wenst me een fijn weekend. Boks mam? Yep, boks schat. En weg  is ie. Op weg naar zijn vader. Ik blijf in die stoel zitten. Vanavond. Vannacht. Voor altijd. Ik zit hier goed. Mijn knie zingt, mijn lijf brult. Dwarsaf. Op. Hard gewerkt, raar gedroomd. Het is mooi geweest. Weekend.