4. feb, 2021

Date

Daar staat ze. Geplakte rubberlaarzen, lange regenjas, de oorwarmers op. Mijn date voor vandaag. Ik schiet in de lach. Hoe lief is ze. De vriendin die nooit oordeelt, maar luistert en meedenkt. Ook nu ze zelf in een roerige periode van het leven zit en ook zij iets los moet laten wat haar zo lief is. Ze kijkt lachend terug. Nee, ik zie er goed uit. Capuchon op, met bergschoenen en camouflagebroek. Op mijn leeftijd probeer ik nog hip te zijn. Grijnzend toont vriendin haar nepleren rokje. 50+ ten top.

Vriendin en ik wandelen. Moeiteloos lopen we weer een rondje om het meer. Nog even en ik loop er meerdere achter elkaar. Zonder stoppen, zonder pijn, zonder niets. Mijn knie houdt zich wonderwel. Misschien is het de adrenaline, het praten met vriendin. Maar misschien is mijn knie al wel zo hersteld, dat ik weer kan wat ik ooit kon. Dat mag ook wel, ik ben bijna een jaar verder. Een jaar, pfff. Wat een heftige periode was het. Mijn bed in de kamer, de pijn die alles overheerst. De nachten dat ik met de armen om mijn eigen lijf in slaap probeer te vallen, maar niet weet waar ik het zoeken moet. Al die paracetamol die ik slik om de uren thuis door te komen, het grote litteken dat ik met mijn ogen dicht masseer omdat ik het vooral griezelig vind. De uren op de hometrainer buiten om weer te kunnen fietsen. De gymmert die me telkens weer helpt op de picknicktafel met het buigen van mijn knie. Is het me het allemaal waard geweest? Ik neig er naar. Begin er zelfs langzaam blij van te worden. Omdat ik makkelijker loop, langer op mijn benen kan staan en ik ’s nachts eindelijk zonder pijn door kan slapen.

We praten en praten. Over alles en niks. Over elkaar en ons zelf. Nemen hikkend van de lach afscheid en ja, we plannen gauw een nieuwe date in. Voorlopig geen bioscoop of terrasje, maar deze wandelingen zijn me nu al dierbaar. Zoals ik ook de stilte omarm na de avondklok van 21.00 uur. Ik stiekem geniet van het rondje met Bram in een verlaten straat.

De lockdown wordt verlengd tot 2 maart. Hoe makkelijk kan ik de datum onthouden, het is de  sterfdag van mijn vader. Ook hij maakt al vijftien jaar geen deel meer uit van mijn leven. Vijftien jaar. Het is niet te bevatten. Mijn knappe vader die altijd zo lekker rook. Die op zondag altijd met ons een rondje ging rijden, in mooie broek en gepoetste schoenen. Zijn blauwe suède vest. Zijn knalblauwe ogen die glommen als hij mijn moeder in de maling nam. Die fonetisch Nederlands sprak en schreef, maar kletste “als een burgemeester”.  Zijn mond die ik meekreeg, de befaamde pruillip in ons gezin en die ik meegaf aan mijn eigen kind. God wat mis ik hem. Wat mis ik zijn warmte, zijn trots, zijn onvoorwaardelijke liefde. Voor zijn kinderen, mijn moeder, maar ook al die mensen waar hij van hield. Die eenmaal in zijn hart, daar nooit meer uit gingen. Wat zou hij het moeilijk hebben gehad in deze tijd. Italiaans en dan niet mogen knuffelen? Ik hoor hem vloeken, zie hem de regels aan zijn vlekkeloze schoenen lappen. Héérlijk, wat lijk ik ineens braaf. Was hij hier nog maar. Hoe dicht zou ik tegen hem aan kruipen, aan hem ruiken. Een kus op zijn kale kruin geven. En hem nooit, nooit meer loslaten. Want hoe gruwelijk waar is het: partire è sempre difficile senza un ritorno.