23. jan, 2021

Avondklok

Ik herrijs langzaam uit de as. Beetje bij beetje schud ik het verdriet van me af. Ik schenk een mooi glas wijn in en geniet driedubbel van de pasta die ik maak. En zit zomaar een beetje mooi te zijn. Niets om niets, maar mijn verrassingsjurkje past. Weliswaar met legging die alles behoorlijk strak trekt, maar hé, hij past. Niemand die me ziet, maar hoe goed voelt dit. Mijn heerlijke huis, Bram die alles bij elkaar snurkt. Het kaarsje op de schouw, de eeuwige hese Italiaan in mijn oor. Ik kom het weekend wel door.

Buiten is de boel op slot. Geen auto, geen stemmen op straat. De avondklok is ingegaan. Het wordt van kwaad tot erger. Geen winkels, geen horeca. Geen kringloop, geen kapper. En nu ook nog eens in de vrijheid beknot om op stap te gaan. Ik ben braaf en saai, maar voor velen zal het moeilijk zijn. Met name voor de jonge mensen. Toch zal ook daar de inventiviteit zegevieren. Ik ben er van overtuigd dat dit allemaal ergens goed voor is. Maar hoe bizar is de stilte om me heen als ik met Bram naar buiten ga. Alsof het midden in de nacht is. Ik zie niemand, hoor niets. Ik hoor mijn eigen adem, het gesnuif van Bram. Iedereen zit binnen, mak als een schaap binnen. Toch wel bijzonder dat iedereen gehoor geeft aan dat wat de overheid zegt. Tenminste in dit dorp. Het is echt niet te omschrijven hoe bizar dit voelt. Maar wat een weelde dat ik Bram heb. Ik nog even naar buiten mag en genieten van die hele hele gekke stilte. Want gek is ie.

Bram merkt niets. Bram is nog moe van vanmorgen. Het rondje park zit nog in zijn poten. Hij ging als de brandweer, met de tong op zijn knieën. Dwars door diepe plassen en dikke lagen modder. Onbevangen en wild. Grenzeloos blij met zijn herwonnen vrijheid. Ik in stilte biddend dat hij vooral “laag” blijft en niet iedereen omver raast.

Bram merkt ook niets van de adembenemende zonsondergang voor het eten. Samen lopen we hem tegemoet. Terwijl Bram aan mijn arm trekt, probeer ik vast te leggen wat ik zie. Wat is het mooi. Adembenemend mooi. Van pastel kleurt het naar oranje en warmrood. Het maakt me stil, telkens weer. Er naar kijken en voelen dat alles weer goed komt. Niet alleen met mij, maar met alles. Op de terugweg zie ik de maan door de bomen. Ook weer gek. Geniet ik eerst van de zon die weg zakt, geniet ik nu van het heldere serene licht van die maan. Hij is niet vol, maar iets meer dan de helft. Wat een geluk dat ik hier loop en het zie. En het voel tot in mijn tenen.