6. dec, 2020

Over loslaten gesproken

De kerstboom optuigen gaat in etappes. Zoals ook het verdriet. In golven komt het op. Als mensen iets liefs tegen me zeggen of schrijven lopen de tranen. Het snot loopt dapper mee. Het is mijn huis, maar hoeveel herinnert me aan hem. Dat lampje hing hij op, die kast zetten we samen in elkaar.

Niets komt uit de heldere hemel vallen. Ik zag het, voelde en concludeerde. Maar stelde uit. Want hoe lief is hij. En hoe alleen is alleen. Ik die zo graag deel en zorg, maar ook zo graag ontvang. Ik probeerde het te negeren, vervloekte de weekenden alleen. Probeerde overeind te blijven en vooral geen knuppels in het hoenderhoek te gooien. Legde mijn kaarten open, sprak mijn wensen uit. Wilde ik te veel, te graag? Cijferde ik mezelf weg? Voor de zoveelste keer? Ik ben toch leuk, lief en bij vlagen misschien zelfs nog wel mooi ook? Waarom wil hij niet wat ik wil.

Hoe waanzinnig waren de weekenden samen. Het fietsen, het klussen, tuinieren of koken. De koffie op de pallets of op de bank. De zon in ons gezicht. Zijn ogen die me volgden, zijn handen op mijn lijf. De arm die ik zo vaak nodig had. De vele mooie gesprekken, het genieten van niets en vooral van elkaar.

De jaren verstrijken. Van geen verwachtingen tot misschien te veel. Van vrijblijvend tot verplicht? Gevoelens die veranderen. De twijfel die er in sluipt. Is dit het? Voor mij, voor hem? Voor ons samen? Muren worden opgetrokken, de afstand groot. Koetjes, kalfjes, ik klets de stiltes wel aan elkaar.

Het uitspreken doet zeer. Het kost weken, zo niet maanden. Ik vul aan, praat, huil en lach. Want door alles heen, blijven mijn beroerde grappen.

Ik ben rijker dan ooit, hoeveel heeft hij mij geleerd. Maar ook leger dan ooit, want hoe godvergeten zeer doet het. Het gevoel van afwijzing, van het weer alleen zijn. Gewogen en te licht bevonden (en hoe ironisch is dat). Het is anders, ik weet het. Toch voelt het zo.

Ik praat. Praat tot ik een ons weeg. Met de lieve vriendinnen die er voor me zijn. Met mijn grote broer, met een vreemde in het park. Ik kruip tegen mijn kind aan op de bank, voel zijn arm om me heen. Voor even zijn de rollen omgekeerd. Ik jank de ogen uit mijn kop. Want het verdriet is groot. Om hem, die mooie lieve gekke beetje wereldvreemde gymmert. Die straks geen gymmert meer is, maar voor mij altijd zal blijven.