20. sep, 2020

Pluim

Het asfalt glinstert. Het fietspad waar ik op loop schittert me tegemoet. Het is acht uur in de ochtend, de zon schijnt. Het lijkt een klein sprookje, een paadje voor lichtvoetige elfjes. Ik heb slecht geslapen. Nu is het alsof de dag naar me lacht. 

Het was een rare week. Een week zonder veel zin om naar kantoor te gaan. Misschien is het omdat mijn lieverd eindelijk knopen doorhakt of omdat ik weer winkeltje mag spelen. Maar de dagen achter mijn bureau zijn lang. Mijn knie sputtert en dus ga ik niet op de fiets. Waardoor de uren binnen tergend langzaam voorbij kruipen. Ik weet niet goed waarom. Wat ik wel weet, is dat ik voel dat ik borrel. Ik bruis. Van ideeën. Van de vele woorden die mijn hoofd in sluipen.  Ik moet ze opschrijven. Sommige zijn te mooi om te laten schieten. Ik doe het niet. Ik laat ze kronkelen. Ze kietelen.

Ik blader in het Italiaanse lesboek. De cursus begint komende week. Het niveau valt me niet tegen. Ik heb alle grammatica natuurlijk al gehad in dat grijze verleden, toch is er bijzonder weinig blijven hangen, zo lijkt het. Blij dat ik een niveautje lager in stap dan dat de juf voorstelde. Zo kan ik langzaam weer in mijn eigen Italiaanse wereld glijden. Verzuipen in dat bijzondere gevoel. Een soort van heimwee in mijn buik. Heimwee naar ooit, naar toen? Of is het een verlangen naar weer? Naar meer?

De oude houten stellingkast die ik van kantoor mee mag nemen voor in de winkel, is zó goed. Oud, met een randje, maar lichtgrijs. Saaier dan saai. Hij komt tegen een zwarte muur, dus maak ik hem zwart. Schoolbordzwart. In korte broek en met oortjes in schilder ik ‘m. Buiten, in de zon. Het is een bereklus. Voor, achter, onder en boven. Ik zie alle hoeken van de kast. Mijn tuin ligt vol. Planken, dragers. Zachtjes zing ik mee met de liedjes in mijn oor. Stiekem dans ik met de kwast in mijn hand. Bram aan mijn voeten, languit snurkend in de zon. De kast wordt een topper. Matzwart. Inktzwart. En precies, precies waar ik op hoopte.

Ik kijk de tuin in. Ook daar gaat het zoals ik ooit hoopte. In het pampasgras zie ik zes hele grote pluimen. Vorstelijk wapperend in het licht. Al twee jaar kijk ik ze de grond uit, maar nu zijn ze er. Feest in mijn hoofd, feest in de tuin.