23. aug, 2020

Kop in de wind

Zaterdag. Een regenboog aan mijn rechterzijde. Dat betekent ergens zon en ergens regen. Ik fiets in de regen. Hoe heerlijk is het na al die warme dagen, waarin alles plakt en ik de zon angstvallig mijd. Ik heb net de rand onder mijn goot geschilderd. En hoe stoer is dat. Hoog op de ladder, kwast in de hand. Terwijl de buurman een schildersbedrijf heeft. Ik durf.

Mijn huis is opgeknapt. Alleen het voorkozijn heeft nog verf nodig. Het donkergroen is nog niet geheel gedekt en bovendien moet ik met wit de groene uitschieters nog wegmoffelen. Gevolg van een onvaste hand en de mouche volante. Mijn mouche die nu echter opvallend doux  is geworden. Hij schemert licht en ik moet mijn best doen hem nog te zien. Hoe blij ben ik als ik voor de tweede keer de oogarts verlaat. Geen scheur in mijn netvlies en als het goed is, wordt alles minder. De vlekken en de flitsen. 

De regen komt als geroepen. In shirt en korte broek fiets ik er blij door heen. Ik word nat, maar hoe heerlijk voelt het op mijn armen, benen en neus. Weg met dat stof. Het stof van het schuren, het stof van te veel warme dagen. Ik fiets naar kringloop en naar de bieb. Zo’n beetje mijn vaste ritje op de zaterdag. Rugzak en fietstas mee. Stel je voor dat ik iets tegenkom.

Mijn vriendin appt de laatste update. Een vriendin van een kennis heeft een tweedehands meubelwinkeltje overgenomen en beraadt zich. Wil ze een samenwerking aangaan, wil ze spullen in consignatie of wil ze een stukje ruimte verhuren. Vriendin denkt daarbij niet alleen aan zichzelf, maar ook aan mij. Kan ik er iets mee, wil ik er iets mee. Ja, ja, ja. Ik wil en kan, dus stuiter ik de rest van de dag pingpongend door het leven. Spullen genoeg om neer te zetten, te verkopen. Nu alleen nog in contact zien te komen met de vriendin van de kennis van mijn vriendin. Hoe leuk zou het zijn weer een dag of wat in een andere wereld. Ga ik het durven, ga ik het doen. That’s the question. Maar de afgelopen week in het notarieel was een lange. Wurmde ik me met tegenzin door de dossiers, blik op oneindig. Klokslag vijf als een speer naar huis. Weg van kantoor, gauw naar buiten. Met mijn kop in de wind op de fiets. Want hoe heerlijk is dat, ik fiets weer naar mijn werk. Drie kwartier heen en drie kwartier terug. De conditie is nul, de knie verder dik en stijf. Maar het zal me een worst zijn. Die anderhalf uur buiten neemt niemand me af. Die zijn van mij. Hoofd in de wind en dus in de wolken.