14. mei, 2020

Groene vingers

Op de pallets is het in het zonnetje goed uit te houden. Ik doe er mijn knie-oefeningen, lees, haak en denk na. Over werk, over winkeltje spelen en over mijn tuin. Langzaam maar zeker ben ik die tuin weer een beetje frissser aan het maken. Zijn grauwe winterjas gaat uit. Geveegd en gesopt kan er worden. De gymmert doet het zware werk. Hij schoffelt, snoeit, maait en ruimt op. Ik dirigeer en commandeer. Hoe goed gaat het me tegenwoordig af. Het lopen gaat nog niet goed en lang staan zorgt voor een houten been. Zo af en toe een potje vullen lukt echter aardig. De meeste potten zijn inmiddels gevuld. Met verse aarde, zaadjes en met de planten die ik heb overgehouden na een milde winter. Bieslook, munt en salie, ze zien groener dan ooit. Op de pallets, die ik vorig jaar van kantoor meenam, liggen de op Markplaats gescoorde wit met blauwe Portugese tegels, afgebiesd met een klein grijs tegeltje. Daar boven op staan de potten. Het zorgt voor een instant zomers gevoel. Her en der piepen kleine plantjes boven de aarde uit. Stokrozen, vingerhoedskruid en leeuwenbekjes. In een grote emaille pot zitten zonnebloemzaadjes verstopt. Ik ben zo benieuwd of het iets gaat worden. De kleuren op de zakjes zijn in ieder geval veelbelovend. Met een paar euro twee pallets vol. Tenminste, dat is het grote plan van dit jaar. Verse grote planten kan ik altijd nog kopen, zo neem ik mezelf voor. Mijn vingers zijn helemaal niet zo groen, maar wellicht gaan ze dat dit jaar worden. Ik heb de tijd, nu nog het geduld. Want ik kan de zaadjes wel open pulken. Allemensen, wat duurt dat lang.

In gedachten zie ik de grote bloemen al floreren. Wuivend in de wind, geurend in de zon. Het wordt een bont spektakel. Hoe meer kleuren, hoe liever het me is. Al kan ik stiekem heel jaloers worden op de vriendinnen die tuinen hebben met een kleurenthema. Alles wit of alles paars en roze. Bij mij staat alles door elkaar. Maar is dat in mijn hoofd in de regel ook niet zo?

De druif die ik twee jaar geleden plantte, doet het meer dan goed. Lange slierten met verse knoppen en lichtgroene bladeren. Práchtig. Het kleurt erg mooi bij de donkere schutting. Nu maar hopen dat ik de scheuten dit jaar een beetje in de gaten houd, de trossen mooi rijpen en ik deze oogst voordat de vogels dat voor mij doen. De Oost-Indische kers die ik vorig jaar zaaide komt nu op. Dat is lachen. Ook zie ik eindelijk zes dikke knoppen in de rozenstruik die ik cadeau kreeg. Volgens de beschrijving geurt de roos heerlijk, dus kom maar op met de bloemen. Kom maar op met die zon en af en toe een spat regen.

Ook droom ik van een bootje. Kleine kano, zo’n opblaasbare of een ‘sit on top’. Suppen zit er dit jaar met mijn knie nog niet in, zo denk ik, maar in een bootje moet ik toch wel vooruit komen. Goed voor de armen en het hoofd. Denk ik. Mijn tuin ligt aan een open vaarwater, dus er liggen kilometers in het verschiet. Vooralsnog zijn het ideeën. Een beetje dagdromen kan geen kwaad.

Zo droom ik ook van fietsen, richting polder, richting zee. En hoe dapper ik ook de trappers rond krijg op de spinningbike in de tuin, op mijn eigen fiets lijkt het nog niet te willen. Sterker nog, ik durf het niet. Stiekem oefen ik in de tuin. Op een stilstaande fiets, mijn hand tegen de muur. Ik moet toch gewoon kunnen trappen? Vooruit? Gewoon een paar meter verder zien te komen? Maar het zweet breekt me uit. Ik voel de pijn al als het me toch net niet lukt de trapper rond te krijgen, maar mijn voet van schrik op de trapper blijft plakken. Straks val ik, lazer ik om. Lig ik in mijn eigen achtertuin, maar ben ik toch veel verder van huis. Ik durf echt niet. No way. Ik wacht op mijn gymmert en zijn sterke armen. Komt ie al?