22. apr, 2020

Voorwaarts

Weet je het zeker? Gymmert kijkt me vragend aan. Ja, ik weet het zeker. Ik wil weer boven slapen. Niet meer in de woonkamer waar de muren zo langzamerhand op me af komen en waar de gymmert op de bank snurkt. Mijn wil is wet. Hij breekt mijn tijdelijk bed af en zet deze in de tuin. Sleept matras, kussens en dekbed naar boven. Een beetje spannend vind ik het wel. Stel dat ik moet plassen ’s nachts? Moet ik met mijn slaperig hoofd die nauwe trap af. “Dan maak je mij wakker. Komt goed. ” De schat is inmiddels goud waard. Het slaapt onwennig. Mijn been in een stramme houding, maar hoe heerlijk is dat warme lijf van hem naast me. Echt springlevend op alle vlakken ben ik nog niet, maar zijn hand vast houden kan ik in ieder geval heel goed.

Sinds vorige week gaat het beter. Stukken beter. Ik kan met veel smokkelen de trappers op de spinningbike rond krijgen. Kont omhoog, op de hak en ik kom een heel eind. Het is alsof mijn knie op knappen staat, maar ik zet halsstarrig door. Ik wil zo snel mogelijk weer op de fiets. Niet meer afhankelijk zijn van een ander als ik ergens heen moet. De fysiotherapeute lijkt tevreden. Mijn buiging is nog altijd niet “je van het”, maar hé, het begin is er. Inwendig vloek ik alles bij elkaar op die spinningbike. Hoe sneu is het dat je wel wilt, maar het niet kunt. Alles blokkeert. Natuurlijk is er angst, maar ook veel vocht. Eerst krijg ik ze twee keer rond. Achteruit. Vooruit is een ander verhaal. De volgende dag vijf keer, daarna acht. Inmiddels trap ik ze een keer of dertig voor- en achteruit. Het zadel staat zo hoog dat niet mijn knie mij parten speelt, maar mijn billen. Het gedraai op dat dunne zadeltje eist zijn tol. Zadel moet lager en snel ook. Weer jodel ik met de trappers heen en weer. Breekt het klamme zweet me opnieuw uit. Want meer buiging betekent nog meer angst. Maar hoe blij ben ik met het weer. In mijn korte broek in het zonnetje oefenen is niet verkeerd. Ik ga het bijna leuk vinden. En dus, dus voel ik me soms schuldig. Omdat ik zo geniet van minder pijn, meer beweging en - god zij geprezen – de vooruitgang die ik bemerk.

Week zeven is inmiddels ingegaan. Zes hele weken zit ik al thuis, waarvan vijf en een half ik voor altijd delete uit mijn historie. Wat heb ik het onderschat. De hele dag bezig zijn met die rot knie. Die niets wil. Alleen maar zeurt, vol glas en vocht zit. Het litteken dat ik masseer met mijn ogen dicht. Omdat ie zo confronteert, zo hobbelt en bobbelt. Grillig zijn weg volgt over mijn been. Vanaf gisteren mag ik met één kruk door het huis banjeren. De scherpe randjes zijn er nu vanaf. Mijn knie wordt steeds meer eigen en met een beetje mazzel (en gekreun) fiets ik volgende week weer door de straat. Hang ik kruk nummer 2 in de hoogste boom die ik tegenkom.