9. apr, 2020

Werk aan de winkel

Ik ga goed. Ik ga beter. Echt waar. Zo klim ik nu dagelijks op mijn afgeschreven speedbike in de tuin. De trappers krijg ik nog altijd niet rond. Het blijft een beetje heen en weer jonassen. De fiets piept en kraakt, zo ook mijn knie achteraf. Ik heb het graag voor over. De icepacks liggen in de vriezer en zorgen voor de nodige verlichting. Langzaam word ik weer een beetje meer mens.

Mistroostig kijk ik naar mijn spiegelbeeld. Mijn wangen zijn door het zonnetje iets minder wit, maar mijn haren worden het steeds meer. Het kleurtje dat ik er nog voor mijn operatie in deed, is op de weg terug. Grijs, grijzer, wit. Zal ik dan straks fris en fruitig met nieuwe knie maar volledig grijs door het leven gaan? Ik heb zo ongelooflijk de pest aan nep, maar mijn haren grijs laten worden, is nog wel een dingetje. Dus verf ik ze. Al jaren. Nu ik me weer meer mens voel en mijn energie lijkt terug te keren, lijkt het de hoogste tijd. Zal ik het redden om ze te verven? Staand de verf er in smeren, snel met been omhoog en dan daarna onder de douche de verf eruit spoelen? Ik waag het er op. De kleur is een andere dan dat ik gewend ben. “Weer eens wat anders mam”, zo roept het kind monter als hij terugkomt van de drogist met de verf onder zijn arm. En dat is het. Van dark espresso ga ik naar sweet cappuccino. Allebei klinkt het Italiaans. En allebei verdoezelen ze mijn grijze coupe. Wat kan mij het ook schelen welke koffiekleur ik er in smeer. Alles beter dan wat ik nu zie in de spiegel.

En zo geschiedt. Genoegzaam schrijd ik drie kwartier later met nieuwe haren de trap af. In gracieus jurkje (met wijde taille om de ronde vormen te verbergen) en met ingesmeerde benen. Mijn litteken droogt mooi op. En wel zo droog dat ik denk dat een beetje arganolie misschien wat bij kan dragen aan een goede smering. Al die tijd dat ik de trap neem, gaat het goed. Denk ik na bij iedere stap. Want stel…stel dat ik val. Nu ben ik met mijn hoofd bij mijn haren, mijn lijf en gladde benen. Mijn kruk glijdt uit en ik kan me nog net staande houden. Ergens daarboven wordt er over mij gewaakt. Ik blijf op de been en iets minder galant kom ik met een witte snuit beneden. Godzijdank is dit goed gegaan. Even geen verwaande neus meer in de lucht. “Kijk mij eens leuk zijn.” Ik heb twee krukken, geverfde haren en ben minstens tien kilo te zwaar. Wil ik mijn lieve gymmert blijven bekoren, moet ik naast mijn uiterst lieflijk karakter toch ook nog wat anders leuks te bieden hebben. Zoals gezonde benen en een iets minder voluptueus lijf. Er is werk aan de winkel.