22. mrt, 2020

Zon in mijn gezicht

Zonder aarzeling zet ik de naald tegen mijn buik. Ik zet druk en hij verdwijnt langzaam in het laagje vet dat er zich in de loop van jaren heeft verzameld. Alweer voor de dertiende keer. Prikken tegen trombose. Een maand lang. Ook dat nog, zo dacht ik bij het verlaten van het ziekenhuis. Nu ben ik op de helft. Het gele emmertje vult zich gestaag met lege spuiten. Ik vind het stoer van mezelf.

Ik zag gisteren op tegen weer een lange nacht. Met een koelelement tegen mijn warme knie en een kloppende kuit van het vocht slik ik de paracetamol met onstekingsremmer dapper door. Wanneer de gymmert me een kus geeft, breek ik. De tranen rollen over mijn wangen. Wat is hij lief en wat doet hij veel. Het afhankelijk zijn, het gehavende been aan mijn lijf. Dat er niet af kan en waar ik niet omheen kan de komende tijd. Even doorbijten, zo mompelen we. Ik val in een tomeloze slaap en knor als een volgegeten marmot de ochtend tegemoet.

Ik word uitgerust wakker. De zon schijnt. Ik bel met broer en Italiaanse neef. Godzijdank gaat daar ook alles nog goed. Het buiten zijn lonkt. De gymmert begrijpt me zonder woorden en zet mijn pallethoekje klaar. Dik ingepakt in jas en sjaal kruip ik er op. Mijn gezicht vol in de zon, een vest over mijn benen. Ik laad me op. Geniet met volle teugen van de frisse wind, de knalblauwe lucht boven ons. Wat is dit godvergeten lekker. Even geen ziek en zeer. Even geen been dat in de weg zit. Maar stil geluk in mijn eigen achtertuin. Dank lief lief.