13. mrt, 2020

Once in a lifetime

Rug tegen de muur. Mijn benen vooruit. Laptop op schoot. Het bed in de woonkamer kijkt uit over de straat. Hoe vitaal voel ik me nu, hoe labiel was ik dat vannacht. Pijn in mijn lijf, mijn been dat geen kant op wil. Als een groot houten blok zit het aan mijn lijf vast. Dik, opgezwollen. Mijn huid aan de zijkant van mijn been voelt als rubber. Zal het ooit goed komen? Tegelijk de flitsen van de eerste nacht thuis. De lieve gymmert als een soldaatje de wacht hield. Me instopt, uit bed helpt en richting wc loodst. Ik moet nooit plassen ’s nachts. Nu drie keer. Hoe is het mogelijk. Zijn kus in mijn haar, op mijn hand. De pijnstillers nemen me in zijn greep, zorgen voor tranen en tegelijk een ongelooflijk rijk gevoel. Wie heeft er van die lieve mannen om zich heen? Mijn ex die me oppikt, mijn medicijnen ophaalt (en betaalt). Mijn kind dat op geheel eigen wijze zijn stinkende best doet, mij te verzorgen. Zorgt voor eten, drinken en Bram? Die me liefdevol omarmt als ik het uitschreeuw van de pijn als ik ongelukkig mijn bed in stap?

Ik ben geopereerd. De nieuwe knie zit er in. De mensen in het ziekenhuis zijn lief. Vrolijk. Mijn chirurg die me olijk aankijkt en zegt dat mijn botten wel heel erg hard zijn. Zelfs de zaag er moeite mee had.. Om de prothese er toch in te krijgen hebben ze hard moeten sleutelen, waardoor er mogelijk een scheurtje in mijn scheenbeen zit. Ik kijk hem aan of ik water zie branden. Hoe dan? Hoe kom ik aan zulke harde botten? Ik ben 52. “Door beweging”, souffleert de gymmert. “Door slijtage”, bromt de chirurg. Mijn eerste gang naar de wc achter een looprek, een paar uur na de operatie, wordt een avontuur. Mijn hoofd is te licht en ik ga bijna om. Toch is het gevoel dat ik gewoon op mijn been kan staan te idioot voor woorden. De knie zit er een paar uur in en zit blijkbaar al muurvast. Letterlijk. Vastgezet met cement. Als dochter van een bouwvakker niet geheel vreemd. Hoe vertrouwd is de geur. Naast mijn vader in de bus. Boodschappen doen.

Ik ben verreweg de jongste op de afdeling. Het scheelt met de meesten zo’n twintig jaar. “Jouw knie was echt heel erg”, zo vertrouwt de fysio me toe. Hij heeft mijn foto’s bestudeerd. Ik kijk hem dankbaar aan. Zijn woorden doen me goed. Blijkbaar heb ik zijn expertise nodig om te weten dat ik niet overdrijf. Ik me niet aanstel en die knie meer dan nodig is. “Doe je alsjeblieft een beetje rustig aan? Hier moet je het mee doen hè. It’s once in a lifetime.”

En nu lig ik. Stoned van de pijnstillers en vol van al het medeleven om mij heen. Oké, ik lig dan even voor pampus. Uitgeblust van het gesjor aan mijn lijf en alle troep die ze in me hebben gegooid. Maar ik lig hier mooi wel. Omringd met alles wat ik liefheb. En terwijl het coronavirus Nederland in zijn macht heeft, kijk ik naar buiten. Naar hoe het leven toch gewoon doorgaat. Ik vanuit mijn eigen ziekbed meekrijg wat er buiten gebeurt. Mensen in paniek hamsteren. Bang voor het ongrijpbare, bang voor angst en zeer. Maar bovenal bang dat ze iets tekort zullen komen. Ik lees berichten op facebook dat mensen boos zijn dat evenementen zijn afgelast, zelfs de voetbal er uitligt tot 31 maart. Alsof dat het ergste is op aarde. Alsjeblieft, hou op. Egoïstisch als we zijn. Misschien dat we, nu we met de neus op de feiten worden gedrukt, begrijpen dat niets “gewoon” is. Dat de natuur zijn eigen gang gaat? En we toch ongelooflijk blij moeten zijn dat we het hier zo goed hebben. Want wat als je hulpeloos met je hele hebben en houwen voor dichte grenzen staat? Hutje mutje in een overvol kamp? Wat als daar het virus rondwaart?

Ik knijp in mijn handen. Hier is het goed. Hoogste tijd om daar iets mee te doen.