9. mrt, 2020

Bijna

Ik maal de bonen. Gauw, het kan nog net. Koffie met een lauw glas water. Het is bijna 6 uur. Daarna mag ik niets meer drinken. Eten is al uit den boze en over een uurtje word ik opgepikt. Samen met de mannen (vader en kind) ga ik – bijna als vanouds – naar het ziekenhuis. Zij zijn bij me, zij horen er bij. De nacht was onrustig, toch heb ik  geslapen. Met beelden van wat komen gaat, met de onrust wat ik straks (voor even?) niet meer kan. Maar met meer berusting, geen gierende zenuwen. De angst is weg geëbt. Tuurlijk zie ik op tegen de naalden, de pijn die komen gaat. Hoop dat ik straks geen geluiden hoor.

Al jaren kijk ik er naar uit. Zie er tegelijk ongelooflijk tegenop. Omdat er iets in mijn lijf komt dat er niet hoort. Omdat het nooit meer wordt zoals het was. En ik er zelf geen enkele controle over heb.

Buiten is het nog pikdonker. Ik moet douchen, met Bram uit nu het nog kan. Veel wil ik nog schrijven, dingen zeggen. Tegen mijn kind, tegen alle mensen die me zo lief zijn. Want stel? Stel dat het anders loopt. Niet aan denken. Ik heb alles al gezegd. Ik heb al zoveel gezegd.

Het is bijna half 7. Zo dan. Moet ik nog rennen ook... :-)