3. nov, 2019

Oorlog

Ik ben op oorlogspad. Tijdens een door mij georganiseerd spoedoverleg op kantoor neem ik alles en iedereen in mijn boosheid mee. Stemmingmaker eerste klas. Ik heb er een hekel aan, toch ga ik er vol voor. Ik zeg wat ik denk, gooi het voor zijn voeten. Slechts één collega valt me bij. De rest is stil, kijkt gegeneerd. Hij stamelt, is boos. Heeft het over een dolk in zijn rug. Eentje van mijn hand. Mijn woede laait op. Ik voel me alleen, sla volkomen dicht en hou het voor gezien. Het is klaar, ik loop weg.

Collega’s lopen achter me aan, vragen hoe het gaat. Het gaat natuurlijk niet. Het gaat beroerd. Ik had na dit overleg willen kiezen, waardig weg willen stappen. Op naar een ander kantoor, een ander leven. Terug naar mijn eigen stad. Ze praten op me in, krijgen me weer kalm. Ik probeer als chef de kliniek mee te denken, een rol die me altijd bijzonder goed af gaat. Gaandeweg kies ik. Of het voor mezelf is, is maar de vraag. Ik blijf. Omdat ik niet op deze manier weg wil, dit kantoor in de steek laten. Ik ondanks alles een enorme vrijheid geniet, op blote voeten kan werken en die meiden goud vind. Zijn opluchting is groter dan groot. Hij bekent kleur, ik verontschuldig me voor mijn oorlogspad. Dat blijkt niet nodig. “Hoort bij je charme.”