18. okt, 2019

Strompelend

Het kon ook niet uitblijven. Na al die weken vol gejubel. Hoe leuk mijn leven wel niet is. Hoe fijn ik werk. Nu even geen holadijee. Maar pure chagrijn. Boos op de baas, boos op mezelf.

Op een cursus hoor ik per ongeluk wat mijn medecollega’s in den lande verdienen. Met stomheid geslagen verslik ik me in mijn koffie. Want, dát verdien ik bij lange na niet. En ik ben minstens zo oud, minstens zo goed en heb minstens zo veel ervaring. Nee, ik zit niet op een hip stadskantoor met torenhoge hippe tarieven. Ons kantoor is vooral agrarisch met een schappelijk tarief. Maar de baas rijdt wel in een serieus foute auto. Zo eentje waar de kranten vol van stonden. 100% elektrisch, 4% bijtelling, maar met een waarde waar mijn hypotheek voor 60% mee kan worden afgelost. Ik wil niet zo’n medewerker zijn die de baas alles misgunt, maar als er telkens wordt geroepen dat het met kantoor niet goed gaat, krijg ik warme oren. En schop ik het liefst een deuk in die lelijke bak. Want in die auto zit toevallig wel mijn salarisverhoging, tantième en dertiende maand.

Als dan mijn mooie 500’tje de geest geeft en niet meer in zijn versnelling wil, zijn de rapen gaar. Daar gaat mijn zuurverdiende spaarpot. Zeventienhonderd euro. Drie cijfers voor de komma. In gedachten reken ik uit wat ik er mee had kunnen doen. “Een typisch euvel voor dit type”, zo zegt de Italiaanse garagemeneer. Een schatje overigens, daar niet van. Maar liever had ik samen met hem naar Bocelli geluisterd bij een borrel en niet tijdens de proefrit na zijn onmogelijk dure reparatie.

Ik roep dan wel heel hard dat ik niets met geld heb, maar als er dan ineens niet meer zoveel van is en er op korte termijn niet veel bijkomt, lijkt dat roepen een hol geblaat. Want waarom verkocht ik mijn 500 ook weer niet van de zomer? Omdat ik er te weinig voor kreeg. Gestraft voor mijn hebberigheid. Het deksel op mijn neus is een zware. 

Ben ik dan ook te hebberig op het werk? Moet ik niet gewoon blij zijn met wat ik verdien? Geen stress meer, geen migraine in het weekend. Gezondheid voor alles. Peace man. Ik laat de auto van de baas heel. Maar zeg hem wel oh zo giftig wat ik er allemaal van vind. Op mijn eigen temperamentvolle wijze sla ik hem met mijn woorden om zijn oren. Het zijn mooie woorden hoor, nette. En er is niets van gelogen. Het kan maar duidelijk zijn. Een collega vindt me stoer, had hetzelfde willen zeggen, maar hield wijs haar mond. Maar zij neemt ontslag en ik blijf zitten. Ook als ik word gevraagd voor een baan op zo’n hip kantoor met zo’n bovenbest salaris. Want ik wil niet meer lang reizen. Ik wil op de fiets, ik wil nuchtere boeren aan mijn bureau. Boeren die hard werken, net als ik. Bovendien sta ik eindelijk op de wachtlijst voor die lang verwachte nieuwe knie en is de timing om te jobhoppen dan ook hopeloos verkeerd.

Een nieuwe knie. Eindelijk dan. De knoop is doorgehakt. Nu mijn knie nog. De orthopedisch chirurg keek kort naar de foto. “Je knie is op”, zo sprak hij monter. Zo voelt ie ook, dat is duidelijk. Geen stap kan ik meer zetten zonder pijn. Als ik te veel doe, zwelt ie op. Is buigen of strekken een hels avontuur. De wachttijd in het plaatselijke ziekenhuis is inmiddels opgelopen tot vijf maanden. Ergens in het voorjaar mag het mes er in. Ik kijk er niet naar uit, maar het is lang. Heel lang. Eigenlijk te lang. Blijf ik bescheiden op mijn beurt wachten en strompel ik nog een half jaar door? Of kies ik voor mezelf en voor een ander ziekenhuis? Zodat het misschien nog dit jaar kan? Maar dit jaar nog? Qua werk geen optie, de komende maanden zijn het drukst. En met een beetje mazzel ben ik er zo een paar weken zo niet maanden tussenuit. Zet ik mijn baas een hak en schop ik figuurlijk een deuk in zijn glimmende bak? Ik geen extra geld, hij geen extra omzet? Of blijf ik die voorbeeldige medewerker, verantwoordelijk en plichtsgetrouw? Bij vlagen oh zo lelijk, giftig en stuurs. Maar bovenal loyaal. Al is het dan strompelend? En schop ik met een nieuwe knie niet een stuk harder?