17. sep, 2019

Kermis

Ik ben een ontspuller van niks. Ik wil zo graag van alles minder. Minder spullen, maar ook zo veel minder vlees. Gewoon, omdat ik de wereld een klein beetje mooier wil maken. Bewuster wil zijn van dat wat ik doe, wat ik heb. En wat ik eet. Maar ik vergeet het. Zo ook dus een vegetariër van niks. Ik vergeet mijn goede voornemens. Prop gewoon die plak ham in mijn mond omdat ik ‘m zie liggen. Sta in de rij bij de Kringloop met weer twee vaasjes, nog een spiegeltje. Mijn huis is al zo afgeladen vol.

Maar wat maakt het me blij. Dat hele oude mooie donkergroene vaasje. Waar de dikke grote koperkleurige chrysanten het leuk in doen. Of dat kleine spiegeltje, naast zijn grotere broer zeker een verrijking in mijn gang. Zo blijf ik combineren, zoeken naar een nog meer leuker thuis. Een thuis waar ik al zoveel meer thuis ben dan ooit. Een thuis dat helemaal van mij is, van mijn kind en hond. En hopelijk stiekem steeds een heel klein beetje meer van die gymmert.

Buiten klinkt harde muziek. Het is kermis. Deze keer niet in mijn hoofd, maar in ons dorp. Drie hele lange dagen lang. Op nog geen honderd meter van mijn huis is een wereld waar ik niks mee heb. Waar mensen al drie dagen liederlijk feest vieren, zich rondom gelukkig drinken en stevig gearmd (anders rollen ze om) weer naar huis gaan. Jongens vanaf hun apenrots steeds harder brullen en gaandeweg, na een bier of wat, steeds dierlijker klinken. Ogen staan dof, ogen staan verwilderd. Alles lijkt geoorloofd: die borrel teveel of vreemd gaan met de buurman. Al is voor dat laatste overigens niet altijd een kermisborrel nodig. Zo sprak ik wijs.

Misschien moet ik me ook eens in dat feestgedruis storten. Net zo hard schreeuwen als de rest. Misschien nog wel harder. Drinken tot ik er bij neer val en de volgende dag gewoon weer van voren af aan beginnen. Wie weet loop ik dan zelf lallend arm in arm terug met een buurman. Is dat hele kermisgebeuren wel net zo verslavend als dat extra vaasje. Maar wordt mijn huis er niet zo vol van. Als buurman dan tenminste niet meteen zijn intrek neemt. Dat zal ik dan wel weer hebben.

Maar wat doe ik? Ik lijn Bram aan, neem ons stoofpotje onder de arm en rij naar het huis van mijn gymmert. Zo geen zin in kermis, drank en lawaai. “Maar ben je dan niet bang dat ze in je voortuin staan te pissen?”, zo vraagt mijn schoonzus. Ja, dat ben ik. Erg bang. Maar ik hoef het niet te zien. Ik zou namelijk pissed off zijn. Zou de buitendepotpisser waarschijnlijk met zijn neus door zijn eigen straal duwen. Zoals ik ook chagrijnig word van al het glas op straat. De plastic patatbakjes en bierglazen die Bram gelukzalig uitlikt.  En dus, dus ga ik weg. Met piepende banden de straat uit.