23. jun, 2019

Dreun

De weken vliegen voorbij. Hoogste tijd om dan eindelijk die vakantie te boeken. Waarheen, hoe en met wie. Het zijn vragen die al die weken door mijn hoofd spoken. Hoe graag ga ik met mijn gymmert op pad, maar hoe graag ook met mijn kind. Dat grote kind dat het moeilijk heeft en op zoek is naar het voor hem zo hoognodige houvast. “Het is niet het werk mam. Het zijn de mensen.” Een opmerking die dwars door mijn ziel snijdt. Omdat het bij mij zo ontzettend hetzelfde werkt, maar ik na al die jaren op mijn tenen een dikkere huid heb gekregen. Mijn eigen wereld creëer waarin ik probeer overeind te blijven. Hij komt nog maar net kijken, voelt en ziet. Ondergaat. Af en toe kopje onder, maar – godzijdank – groot genoeg om te zeggen wat hij ervaart. Maar mijn verwachtingen zijn niet de zijne en mijn geduld niet oneindig. Ik knal uit elkaar, roep en word boos. Zeg dingen die ik niet moet zeggen. En heb spijt als haren op mijn hoofd. Want dat kind is het liefste dat ik heb.

Een “sorry” is voldoende. Een knuffel bevestigt onze band. Maar het gesprek dreunt door. Dwars door mijn dromen, dwars door de volgende warme dag. Het verdriet borrelt op. Denkend aan zijn gezicht bij mijn woorden. Natuurlijk zoek ik het bij mezelf. Ik handel instinctief, uit emotie. Uit pure liefde voor dat mooie joch. Op tijd mijn mond houden en wat meer achterover leunen, zal ik het ooit leren?

Het kind is blij. Ik nog blijer. Onze vakantie is geboekt. Samen kiezen we de accommodatie, tussen alle meren in. Dicht bij familie, dicht bij het San Siro. Hij wat, ik wat. Maar samen alles.