29. apr, 2019

Vlinders

Luxepop of niet. Ik fiets! Een uitroepteken is daarbij zeker op zijn plaats. Ik fiets naar mijn werk, ik fiets naar mijn gymmert. Door wind, door regen. Oké, ik heb de fiets pas een week. En nee, ik fiets geen Tour de France. Toch ben ik trots, want ik fiets meer dan ik ooit deed. Ik geniet driedubbel voor het werk uit van dat allereerste zonnetje. Die door de wolken heen piept. Die prikt. Op mijn handen, benen, gezicht. Hoe kort ik ook fiets: het verkwikt, laadt op en mogelijk het belangrijkste: het stelt het begin van de hele dag binnen nog even uit. Fietsen met altijd wind mee. Ik kon me er niet zo veel bij voorstellen, maar ik weet nu beter. De begrenzer staat op 27 kilometer en oh jongens, dat valt tegen. Mijn benen willen soms zo veel harder, maar dat wil de ondersteuning dan weer niet. Op eigen kracht dan maar af en toe de 30 aantikken en er nog even over heen, hoe lekker voelt het. Opvoeren is een optie, maar ook illegaal. En laat ik daar nou weer te braaf voor zijn. Want wat als ik gesnapt word? Of op mijn plaat ga? Maar hangt er niet aan mijn muur “better an oops than a what if”? Met 45 door die polder is namelijk helemaal zo gek nog niet. Dat is kicken. Dat is verkwikkend in het kwadraat. Eens kijken hoe lang ik die bravert  kan blijven.

Met oud collega ga ik naar de Koningsmarkt. Het is het derde jaar op rij en ook nog in het dorp van mijn eigen lief. Onze tassen worden voller en voller. Voor een euro koop ik het boek van Hugo Borst. Hij schrijft over zijn dementerende moeder. Met tranen lees ik ‘m in een paar uur uit. Hoe gemakkelijk schetst hij zijn gevoel en hoe liefdevol registreert hij het verval van zijn moeder. De acceptatie dat het telkens weer wat slechter gaat en hoe blij hij is met ineens een goed moment. Pijnlijk herkenbaar en meer dan confronterend. Hoe blij was ik dat mijn moeder weer kon eten. Al was het via een maagsonde. Hoe dankbaar was ik toen mijn vader een grapje maakte, terwijl we allemaal wisten dat het zijn laatste week zou zijn. Al jaren zitten ze samen op die wolk, daar ergens heel hoog in de lucht, de herinneringen zijn vers. En ineens weer net zo rauw als toen.

Zoals hij schrijft, dat wil ik ook. Dat kan ik ook, zo denk ik arrogant. Maar de woorden die als vlinders in mijn hoofd dansen, laten zich nog niet vangen. Ik voel ze wel en zie ze ook. Ik houd mijn vangnetje maar paraat. Wie weet en vang ik er een paar.