21. aug, 2018

Lekker

En ineens verlang ik naar de herfst. Met warme kleuren, mijn kacheltje. Samen er languit voor. Op de nieuwe zachte, aaibare bank die donderdag wordt gebracht.  

De zomer is nog niet ineens ten einde. Toch vind ik het mooi geweest. De felle zon, de hitte. Het zweet op mijn handen. Hoe lekker was het. Op die berg in Piemonte. Onder een hemel vol sterren, een maan die alles verlicht. Stil en nietig. Oh zo nietig. Maar met de voelsprieten op tachtigduizend. Mijn hele lijf doordrongen van zo’n allesomvattend geluksgevoel. Weten dat we die avond zo lang kunnen maken als we zelf willen. Alles kan, alles is mogelijk. Wat voelt dit verdomde goed.

Hoe lekker is het ook in Veneto, de streek van mijn vader. Onze B&B bevindt zich op een berg. Het uitzicht is adembenemend, de gastvrouw meer dan gastvrij. Ze steelt mijn hart. Om wie ze is, om wat ze zegt. Bij wie we mogen aanschuiven als ze met familie aan het eten is. We drinken prosecco, rode wijn, arancello en zelfgemaakte grappa. Mijn wangen kleuren rood. Hoe lekker is dit. En hoe lekker zijn de warme bruine ogen van die gymmert naast me. Die ik schoorvoetend voorstel aan mijn eigen familie. Bang als ik ben voor de donkere afwijzende blik van mijn tante. Die zo ongelooflijk op die van mijn vader lijkt. Maar haar blik is open, de armen staan wijd. We zijn welkom. Meer dan. We eten samen, drinken samen. Ik mag weer. Praten. In het Italiaans, tot ik een ons weeg. In een roes fiets ik naar de auto. Over fietspaden die ineens stoppen. Of maar tien meter lang zijn. Voor het eerst fiets ik door al die dorpen waar ik al bijna 50 jaar kom. Wijs ik hem de plekken aan waar ik ooit met mijn broer liep, waar ik ooit sliep. Laat ik hem de foto zien van mijn vader, ergens aan een muur in een bar. De foto is meer dan 60 jaar oud. Hoe trots kun je zijn. Weer neem ik me voor het Italiaans op te pakken. Meer te lezen, meer te praten. Meer bezig te zijn met de taal, het land. Mijn roots.

Maar nog meer neem ik me voor vaker te gaan fietsen. Zodat ik die akelig fitte gymmert er een keertje uit kan fietsen. Vederlicht gaat hij die berg op. Hijgt niet eens als hij boven is. Ik vloek en tier. Inwendig. Hem afschrikken kan ik altijd nog. Het liefst flikkerde ik die fiets het ravijn in. Ga ik op het lichtste verzet, knal ik uit elkaar wegens een algeheel gebrek aan conditie. Ga ik op kracht naar boven, knallen mijn benen uit elkaar. Vaak loop ik met fiets aan mijn hand. Schuil ik in de schaduw van een boom. De akelig fitte gymmert schilt ondertussen een appeltje voor me. Haalt nog maar een keer water. En overlaadt me met complimenten. Natuurlijk had ik ook op mijn dikke kont in mijn hangmat kunnen blijven liggen. Zeker ook een fijn vakantiegevoel. Maar ik wil fietsen. Zien, voelen en ruiken. Zoals bij Barolo of Conegliano. Me vergapen aan die ontelbare wijnranken. Fris en groen. Met onwaarschijnlijk veel trossen druiven. De hitte op het asfalt voelen. De kou van het ijsje op mijn tong als we ergens stoppen. Ik wil met 50 kilometer per uur die berg af. De wind in mijn gezicht, het ongelooflijke gevoel van vrijheid ervaren. Hoeveel ik ben ik op dat moment. Genietend van mijn Italië en van de gymmert die voor me uit fietst. Zijn sterke lijf zwetend. De zoute kus die volgt als we boven op die berg staan. Dát is pas lekker. En om nooit, nooit te vergeten.