8. jul, 2018

Bo Derek

Ik deed het al op het droge. En gister op het water. Suppen. Ik ben in een familie beland waar sporten tot een dagelijkse levensbehoefte behoort. Het is vooral even wennen. Jong, middelbaar of oud. Ze doen het allemaal. Dus haak ik aan. De paar fietsuren in mijn benen steken er schamel bij af. Het interesseert de familie niet. Ik beweeg. Op mijn manier. En dus is het goed.

Ik word uitgenodigd voor een suptocht ergens in Noord-Holland. De plank is groter dan gedacht en stemt mij gerust. Ik stap aarzelend op, aangemoedigd door de die-hard van het gezelschap: de enige zus van mijn lief. Zij staat het op haar plank op het water te filmen. Te fotograferen. Niet gehinderd door enige golfslag. Of wankel evenwicht. Schoonzus nummer twee blijft vandaag even aan wal. Aan haar benen hangen twee bloedjes van kinderen en dat is nu eenmaal lastig suppen. Schoonzus nummer 3 supt wel weer mee. Zij staat net als ik stevig op de benen en is voor de duvel niet bang. Ze blijkt ook nog een heel lenig exemplaar. Een driedubbele salto achterover het water in of een soepele duik voorover als dat noodzakelijkerwijs even zo uitkomt. Ze spartelt en komt weer boven. Klimt stoïcijns weer op haar plank en houdt vol. Ik zet er de sokken in. Peddel en peddel en vervloek in stilte de paar boten die langskomen. Het beetje golfslag dat ze veroorzaken voelt als een tsunami. Ik blijf tot de tussenstop droog. Een lange hele lange kilometer glijd ik met mijn plank over het water. Stijf, harkerig. Zeker niet soepel. Maar voor mijn gevoel kan ik zo naar Venetië. Gondel ik alles en iedereen er uit.

We vervolgens onze tocht weer terug. De ringvaart is een sloot geworden. Met leliebladeren en kikkers. Alsof we in de Efteling zijn. Ik ontwijk een boot, waardoor ik met punt van plank de berm in priem en bijna wordt gelanceerd. Die-hard schoonzus waarschuwt voor een wel hele lage brug. We moeten op onze buik op de plank er onder door. Ik vlei mij bevallig neer en borstcrawl door god weet wat onder de brug door. Ik ben drijf. Maar de zon schijnt en het lijf voelt goed. Weer komt er een brug. En omdat ik nu eenmaal niet op mijn knie kan zitten (alleen als ik warmbloediger ben dan normaal) buikcrawl ik wederom. Aan de andere kant van de brug bedenk ik me dat ik ook wel op de plank wil zitten. Net als mijn lenige schoonzus al tijden doet. Aan iedere kant van de plank had ik een been bedacht. Zo gezegd. Zo gedaan. Op de brug staat een man. Geanimeerd te kijken. De amusementswaarde stijgt aanzienlijk als ik met veel kabaal het water in stort. Net niet kopje onder. Plank en peddel drijven weg. “Hoe kom je er nu weer op?”, zo roept de man mij lachend toe. Tja. Dat vertelt het verhaal nog niet. Het wordt een soort zeeleeuwenshow. Alleen het applaus ontbreekt.

Natter dan nat vervolg ik als een kortharige en iets overrijpe Bo Derek staand mijn tocht. In de achterhoede. Die-hard schoonzus als de deugd in het midden (ze ontfermt zich met verve over haar niet meer droge schapen), mijn lenige schoonzus zittend op haar billen voorop. Ik trotseer takken, viezigheid en nieuwsgierige mensen in hun achtertuin. Maar ik blijf staan.

Suppen. Droog of nat. Het is allebei leuk. Binnenkort draai ik er mijn hand niet meer voor om. Glijd ik bevallig op wegen of water. Zo hoop ik stiekem. De volgende natte tocht staat al in de steigers. Eentje vanuit mijn achtertuin, zo het waterrijk gebied van mijn gemeente in. Met schoonzussen en al. Wat een rijkdom.