3. jul, 2018

Pallets voor altijd

Sterk voel ik me. Omdat hij naast me staat en me niet zal laten vallen. Maar hoe wankel ben ik. Op je vijftigste leren suppen is nog wel een dingetje. Op zijn longboard probeer ik de beginselen van het landpaddling onder de knie te krijgen. Suppen op het droge. Met mijn eigen gymmert als personal teacher. Hij is, aangestoken door het enthousiasme van zijn broertje, ambassadeur pur sang van deze nieuwe vorm van bewegen. Broerlief haalde inmiddels de krant en tv. En als ik sta te kijken bij een tocht die ze organiseren voor andere enthousiastelingen, weet ik dat ik het ook wil leren. Mijn knie kan toch al niet beroerder dan dat ie is. Dus mocht ik onderuit gaan, misschien knap ik er nog wel van op ook.

Zo staan we dan op een zondagmorgen op een industrieterrein in het dorp. Ik aarzelend. Een lichte bibberlip. Met veel asfalt voor me. Klaar om verslonden te worden. Of dat het asfalt is of ik, vertelt het verhaal nog niet. Maar, dan moet ik eerst wel op die plank kunnen staan. Die stijf lijkt, maar dat stiekem niet is. Met vier wielen die, als het hard waait (en dat doet het), je vanzelf vooruit duwen. Mijn stok in mijn hand. Mijn lief stevig en kordaat als vangnet. Ik wiebel. Ik sta doodsangsten uit als de berm dichterbij komt. Ik leun naar voren en naar achter, stuur me suf. Toch gaat die plank de andere kant op. Ik zet mijn voeten zo neer dat ik ook nog kan peddelen. Rechts, links. Rechts, links. Als ik een bocht wil draaien, weet ik mijn sterke leraar dichtbij. En dus ga ik. Nul in het uur. Met wind mee als de brandweer, met tegenwind alsof ik een rollator voortduw. Het asfalt is glad. Ik kan er helemaal niks van, houteriger dan dit kan niet. Toch voel ik me een crack, ik flik het ‘m toch maar. Lief rent inmiddels naast me mee. Hij vindt me stoer. Ik hem de liefste leraar ooit.

’s Middags fietsen we hard. Met wind voor en wind tegen. De zon is een felle. Prikt op  mijn blote schouders en mijn wangen. Dit is zo onwaarschijnlijk lekker, wat een weergaloos weekend. Misschien wel extra mooi omdat de afgelopen weken best pittig zijn. Met stressvolle dagen op kantoor. Tussen al het notarieel geweld door schrijf ik in opdracht. Zin na zin verzin ik. Brei alles aan elkaar. Soms haal ik hele stukken uit. Omdat het beter moet. Beter kan. Soms hang ik te lang boven mijn laptop en komt er helemaal niets, omdat mijn hoofd te vol is. En ik leger dan ooit. Maar hoe lekker voelt het creëren. Het van niets iets maken.

Van mijn pallethoek in de tuin maak ik met hem alles. Een plek waar we eten, drinken, praten, lachen en ’s avonds schaamteloos in slaap vallen. Alles onder een stralende hemel. De tranen die ik voel opkomen, slik ik gauw in. Ze komen van ver, maar het zijn wel hele echte. Ze wellen op, overmannen. Omdat dat hele diepe gevoel van geluk er voor even uit moet.