1. okt, 2017

Vijftig

Vijftig ben ik en ik huppel. Door het park. Een Bram die verwonderd maar blij met me mee huppelt. Hoe vaak was mijn tred zo’n zware. Alsof die sombere gedachten aan mijn benen trokken. En ik niet vooruit kwam. Ook nu moet ik nog enige moeite doen om vederlicht te ogen. Dat komt door mijn nieuwe bergschoenen. Groot en zwaar zijn ze. Potsierlijk. Het is het enige woord dat ik er voor kan bedenken. Ze passen echter wonderwel bij mijn outfit: de oude afgedragen joggingbroek van mijn puberzoon en de herensweater die ik voor 5 euro op de rommelmarkt kocht. Ik woon er in. En zie er niet uit. Maar allemachtig, wat stuiter ik. Hoe fijn voelt mijn lijf. Mijn hoofd. Onbeschaamd geniet ik na van de bruine ogen die me achtervolgen. Op het feest, in mijn dromen, hier in het park. Alles willen, maar niets kunnen. Vanwege de mensen om ons heen. En we, ondanks stormachtige gedachten, fatsoenlijk zijn.

Hij nodigt me uit voor een familiefeestje. Met Level 42 keihard rij ik naar hem toe. Ik zing net zo hard mee. In de achteruitkijkspiegel zie ik mijn eigen ogen. Ze sprankelen. Wat heb ik een zin hem even te zien. Voor de gelegenheid ben ik waarschijnlijk onwaarschijnlijk overdressed. Als hij de deur opendoet staat hij nog in korte broek en shirt. Grijnzend. Zijn ogen spreken boekdelen. Niets overdressed, ik kom binnen. In ieder geval bij hem. De avond die volgt, gaat langzaam en snel tegelijk. We praten met anderen en kijken naar elkaar. Terloops. Ik voel het in mijn buik. Ik voel het overal. 

Vijftig ben ik. En ik huppel. Nu nog door het park, straks door het leven. Dit wordt een fijne zondag.