31. aug, 2017

Besef

En Belofte haakt aan. We doen van alles. Klussen, winkelen, lopen en fietsen. Praten avonden aan elkaar. En ergens tussen dat alles word ik ook nog eens 50. Hoe goed begint de dag naast hem, onder zijn opgehangen slingers. De dag zelf is een fijne. Met die paar mensen die er zo toe doen. Die er al waren en er nog altijd zijn. En met hem als absolute ‘nieuwkomer’ ineens daarbij.

Als mijn kind met zijn vader de Spaanse zon opzoekt, Bram blij ronddraaft op een weiland achter een kennel, pakken we onze tas en vertrekken we richting het zuiden. Back to basic. Hoe heerlijk blijkt het. Onder een Franse sterrenhemel in het natte gras, in joggingbroek en vest. Kijken we omhoog, naar elkaar en in ons boek. Niets moet. Alles kan. Weer ervaar ik hoe weinig er nodig is om het geluk aan te raken. Vast te pakken en gulzig tot me te nemen. Maar hoe lastig blijkt het, eenmaal thuis, dit ook weer los te moeten laten. Omdat het gewone leven weer roept, aan hem trekt en hij elders moet, maar ook wil zijn. Mij als een verwend kind met pruillip achterlatend. Soms zou ik het anders willen. Hoe fijntjes geef ik dat nog even aan hem mee.

Tel je zegeningen. Hoe vaak doe ik het, telkens weer. Maar vergeet ze vervolgens net zo vaak. Aan het bed van een vriendin word ik wakker. Ze heeft een gebroken rug en was een paar millimeter verwijderd van een dwarslaesie. “Domme pech met veel geluk”, zo omschrijft ze de val van haar paard. Ze komt binnen.

Die pruillip moet weg. Ik vind mijn stoute schoenen en klop bij hem aan. Warme ogen wachten. Het geluk ineens weer tastbaar.