14. jul, 2017

Twijfel

De tijd raast. Vliegt. Dagen die zich aaneenrijgen. Tussendoor fijne weekenden met mezelf of met mijn Belofte. Dossiers die er maar blijven liggen. Mijn ongenoegen is groot, groter, grootst. Tot het moment dat ik uit elkaar spat. En briezend mijn ontslag indien.

Het ontslag wordt niet aanvaard. Een gesprek volgt. Het is voor even rustig. In mij woedt een orkaan, want hoe goed ken ik mezelf. Het zaadje is geplant. Ontslag nemen is niet slim. Maar dom is anders. Want met het potje dat ik inmiddels heb, kan ik een paar maanden leven. Goed leven ook nog. Stiekem verheug ik me op die paar maanden rust. Waarin ik geniet van niks en tegelijk van alles. Ruimte om mij heen. Ruimte in mijn hoofd.

Als tekstschrijver heb ik een gesprek met het goede doel. De dame die mij ondervraagt en inlicht prikt dwars door mij heen. Woorden als omscholing en zoeken naar je talent, rollen over tafel. Hét onderwerp van gesprek tussen bijna vijftigers. Grijnzend kijken we elkaar aan. Ik krijg de functie en loop vederlicht naar buiten. Haar opmerking “voor iemand die al jaren iets tegen haar zin doet, zie je er verdomd goed uit” galmt na. Zet zich vast in mijn hoofd. Zorgt er voor dat ik me ondanks alles goed voel. Want naast mijn eeuwige twijfel over het notariaat, is er zo veel om blij mee te zijn.  Op de verjaardag van een gewezen familielid krijg ik vanuit het niets weer eens een baan aangeboden. Gewoon om wie ik ben. Of, en dat lijkt meer plausibel, om wie men denkt dat ik ben. Ik laat het aanbod sudderen. De enige manier om er achter te komen of het iets voor me zou zijn, is om er achter aan te gaan. Hetgeen ik doe. Het resultaat is een afspraak. Voor morgen.

Ondertussen is mijn kind in alle staten. Werkt zich al twee weken een slag in de rondte. Weer is het erop of eronder. Hij wordt met de dag witter. Zijn ogen staan hol. Af en toe veert hij op bij het zien van de goede cijfers die hij inmiddels in de wacht sleept. Vandaag begint het eindeloos gewacht. Wordt hij wel of juist niet gebeld. Ik heb er vertrouwen in. Weet wat hij kan, maar telkens niet laat zien. Toch kriebelt die onrust en dus wacht ik lijdzaam met hem mee. Ik schoffel mijn tuin, trotseer de regen. Hoop dat de regen die twijfel wegspoelt. In het putje, daar waar het hoort. Mijn kind is koning, mijn kind is goed. Mijn kind gaat over. Punt uit. (Toch?)