22. jun, 2017

Vrijheid

Thuis blijven van je werk heeft zo zijn voordelen. Zo knapt je tuin er van op. De hond rent verheugd nog een rondje park en je kind is blij verrast als je hem ontbijt op bed brengt. Een groot nadeel is dat de onverwachte rust je tot nadenken aanzet. En je ’s nachts behoorlijk wakker houdt.

Als mijn kind voor de zoveelste keer dit jaar ziek zijn bed uit stapt en ik huizenhoog opzie tegen weer een dag kantoor, meld ik mij ziek. Schoorvoetend. Ineens is mij duidelijk waar de prioriteit ligt. Thuis. Bij mijn kind. Bij mij. Een week lang ontferm ik me over mijn puber en kijk ik eens goed in de spiegel. Want wat wil ik? Wat maakt mij blij? En hoe krijg ik mijn kind weer op de rails? Drie vragen waar ik zo langzamerhand mijn nek over breek. De drukte op kantoor komt mijn neus en oren uit. En, jawel, op een onbewaakt ogenblik zelfs uit mijn ogen. Ik ben het allemaal goed zat en druk, voor het eerst in mijn leven, mijn snor. Ik spijbel. Weliswaar met tollend hoofd en een buik vol spanning. Toch doe ik het. Ik wil weer energie. Mijn stille dromen nog eens op een rijtje zetten en stiekem kijken of ik ze op de luidspreker kan zetten.

Ik filosofeer (en meer) met mijn lieverd. Overleg met mijn liefste collega. Die inmiddels al zoveel meer is geworden dan dat. Brainstorm met vriendinnen. En ik lees. In een rood boekje dat ik leen van mijn lieverd. Het prikt al maanden in mijn ooghoek. Beantwoord vragen waar of op wie ik jaloers ben. Waar ik naar verlang. En oh goden, naast mijn onstuitbaar verlangen naar een paar bruine ogen (een verlangen dat ook alleen maar groter en groter lijkt te worden als die zon schijnt), verlang ik ook naar vrijheid.

Vrij zijn wil ik. In mijn hoofd, in mijn lijf. Waardoor ik kan creëren, kan voelen. Ik kan geven. Dat wat ik in me heb, dat wat er uit moet. Misschien moet ik weer wat deuren sluiten, zodat er andere opengaan? Zoals ik ooit die deur sloot voor de vader van mijn kind en mijn onmogelijke liefde. En vervolgens mijn hart verloor ergens op een boulevard. Onder een vuurtoren, in het schijnsel van de maan.  

In mijn hoofd doe ik de deur van mijn kantoor iets minder wagenwijd open. Sluiten kan ik ‘m nog altijd niet. Niet alleen kan ik er door eten, maar ook zijn de mensen me te lief. Diezelfde dag krijg ik een vacature onder ogen. Een goed doel zoekt een tekstschrijver. Ik kan er niet van eten, maar het levert me vast de broodnodige energie. En daarmee dat stukje vrijheid. Ik solliciteer en mag komen. De eerste stap is gezet.