14. mrt, 2017

Wild als hooi

Hongerklop. Zo noemde de Belofte het. Dat wat hij krijgt als hij fietst. Ik krijg het er na. In vertienvoudigde mate. Yoghurt (over datum, maar who cares) met partjes sinaasappel, yoghurt met granola. Een bio-dynamisch verantwoord reepje. Ik houd het vandaag licht. Maar vergrijp me bij het avondeten aan de zuurkoolstamppot met uitgebakken spek. Niks lichts meer, maar zware kost. Als pleister op de wonde na een wat hectische dag.

Zo fiets ik niets vermoedend naar de bloedprikdienst. Het resultaat na mijn bezoek aan de huisarts. Die graag het een en ander uit wil sluiten alvorens hij mij doorstuurt naar een duizel-specialist. Ik voel echter al snel nattigheid. Het zadel waar ik op zit is namelijk zeiknat. Wanhopig verzadigd. Ik kan óf terug naar huis óf toch maar bloedprikken. Ik kies voor het laatste. Enig tumult als ik met natte spijkerbroekbillen de wachtkamer binnenstap. Die vol zit met flink veel grijs. Ik heb maar liefst 20 mensen voor me. En er is, hoe lekker dorps, maar 1 dame die prikt. Als ik na ruim drie kwartier met natte broek aan de beurt ben, kijkt de prikjuf me nors aan. Of ik mijn ID wil laten zien. Ik kijk haar blanco aan. Mijn ID? Die ligt thuis. Ergens in mijn tas. Ik kijk blijkbaar zo blanco dat ze over haar zusterlijk hart strijkt en me alsnog prikt. Met wat venijn, dat wel.

Het is goddelijk weer en als ik met een nog nattere broek naar huis fiets, borrel ik van energie. Ik wil zoveel tegelijk. Fietsen, lopen met Bram, een kastje schilderen. Ik moet echter gewoon werken. Weliswaar aan mijn eigen keukentafel. Maar toch, werken. Ik drink mijn koffie op mijn bankje in de tuin. Bram ziet zijn kans schoon en wringt zich soepel langs mijn kunstig gevlochten, maar provisorisch hek. Springt in de tuin van buurvrouw en verdwijnt. In het niets. Roepend fiets en loop ik door het dorp. Op zoek naar mijn blonde vriend. Als ik hem na een uur nog niet heb gevonden, ben ik redelijk van de rel. Wát als er iets met hem is gebeurd? Na het zoveelste blokje fiets ik ontmoedigd naar huis. En daar komt hij blij aangerend. Oren wapperend, zich van geen kwaad bewust. Blij en boos tegelijk stuur ik hem naar binnen. Vanuit mijn ooghoek zie ik ‘m liggen. Op de deurmat. De prent waar ik al voor vreesde. De boete voor te hard rijden komt net zo hard binnen als dat ik destijds reed. Een ruime honderd euro. Ik kijk naar de datum. Ik herken ‘m. Ik was moe. Op. Van de stress, van de duizelingen. Toch reed ik vanuit mijn werk even langs zijn huis. Iets te gretig naar nu blijkt.

Van werken komt het niet meer. Ik check mijn mailbox, hang de was op en duik in mijn jolige nieuwe fietsbroek. Het goddelijke weer is ineens helemaal niet meer goddelijk. Het is somber en grijs. Koud zelfs met een flinke bries. Toch stap ik op mijn fiets en trap rustig de kilometers weg. Kleine doelen moet ik stellen, aldus mijn eigen mental coach. Ik doe het. Ik houd ze klein. Maar geniet groots. Van de polder, de duinen en mijn gedachten. Die vol zijn van die coach. Vol van de dingen die ik wil doen. Bijna lente en volle maan. Een en een is twee. Ik ben wild. Zo wild als hooi.