21. feb, 2017

Thuis

Ik ben stil. Ik weet het. Terwijl er eigenlijk heel veel gebeurt. En misschien is dat het wel. Gebeurt er te veel. Heb ik tijd nodig om alles te verwerken, een plek te geven. In mijn hoofd, in mijn hart.

Ik heb mijn kind aan het werk gekregen. Bij de plaatselijke supermarkt. Onder enig protest en lichtelijke dwang, dat wel. Hij vindt het drie keer niks. Die hele zondag tussen het groente en fruit. Toch komt hij telkens met een grote grijns terug. Duidelijk in zijn element. Met dollartekens in zijn ogen. Want de uren die hij maakt, tellen op zondag dubbel. Als zijn eerste salaris wordt gestort, is hij de koning te rijk. Als ik boodschappen doe, zit er achter de kassa een oud klasgenootje van mijn kind. Ze was altijd mijn favoriet. Stoer, wat mollig en met het hart op de tong. Ik als kind. Maar waar bij mij de kilo’s zijn blijven hangen, is daar bij haar niets meer van over. Een mooi rank meisje met blonde lange manen kijkt me vrijpostig aan. Ze lijkt gelukkig daarin niet veranderd. Nonchalant  edoch schalks vraagt ze me of mijn kind ook bij deze supermarkt werkt. Jip, dat doet ie. Als ik een kassa verder mijn hyacinten af wil rekenen, sta ik oog in oog met nóg een oud-vriendinnetje van mijn grote zoon. Onzeker en onhandig rekent ze af. Ook zij is bloedmooi. Ineens gaat het me dagen. Weet ik waarom mijn kind persé niet bij die supermarkt wilde werken. Het krioelt er namelijk van die prachtige meiden van de basisschool. Die hem ooit allemaal erg leuk vonden. Hem de ene liefdesbrief na de andere stuurden. Toen krulde zijn neus. Nu maakt het hem verlegen. Is hij stuurloos de weg kwijt tussen al die hormonen.

En dat laatste herken ik. Ook mijn hormoonhuishouding is in de war. Want het is dikke mik. Het is aan. Het is vuurwerk. Het is alles tegelijk. Vlinders die vliegen en een brok in mijn keel bij het afscheid. De Belofte en ik. Terwijl hij er alles aan doet om zijn huis te verbouwen en gezellig te maken, geniet ik stiekem van zijn bouwkeet waar we samen in eten, lachen, slapen en zelfs dansen. Met niets op de vloer, voor de ramen of op de muur. Een matras. Een kussen voor de verwarming. Maar het is genoeg. Om mij voor eens en altijd te wijzen op het feit dat er niet meer nodig is. Want wat voel ik me thuis. In een huis zonder spullen.