31. jan, 2017

Verwondering

Lastig blijft het. Het gezoem in mijn hoofd als ik moe ben. Waardoor ik wankel en me soms net staande kan houden. Een bezoek aan de huisarts geeft me een beetje houvast. Figuurlijk dan. Het hardnekkige virus kan tot 6 weken last geven. Daarna moet ik me maar weer melden. Ik heb het nu vijf weken. En, alhoewel minder, de ruis blijft. De onzekerheid dus ook.

Op het werk probeer ik halsstarrig me te houden aan die vier dagen werken. Negeer ik signalen op de werkvloer of ik er niet nog meer bij kan. Alles kan, maar ik wil (of kan ik?) het niet meer. Op een cursus vang ik berichten op over mogelijke vacatures. Elders. Ik laat het voor wat het is. Mijn baas heb ik daarvoor nog te hoog zitten, mijn naaste collega’s ook. Met in mijn achterhoofd de pas gekregen bonus en salarisverhoging. Ik kan het niet maken. Denk ik.

Ondertussen app en bel ik met Belofte. Hij blijft zó leuk. Van smoor tot ver, ver over mijn oren. Ik vlieg weer. Richting regenboog, richting horizon. Hij appt dat ik inderdaad een mooi uitzicht heb uit mijn raam van kantoor. Als ik opkijk, zie ik ‘m lachend staan. Het maakt me verlegen. In het weekend kijk ik uren in zijn bruine ogen. Loop ik met hem over een koud en verlaten strand. Hand in hand, omdat dat én heerlijk is, maar ons tegelijk warm houdt. De neuzen lopen en kleuren rood. De wangen net zo. In zijn ogen altijd die lichte verwondering. Over dat wat er is. En wellicht nog komen gaat.