22. jan, 2017

Rust

Zondag. Pasta op het vuur. Tiramisu in de koelkast. Een glas wijn en natuurlijk een hese Italiaan zachtjes door de speakers. Kaarsjes aan. Ik ben in voor alles, voor veel. Gemoedelijk zit ik samen met hond op de bank. Hij snurkend, ik rozig genietend van een middag op het strand. Kind bij zijn vader en ik het huis voor mezelf. Overal hangt was te drogen, want de droger doet het niet als het buiten koud is. Het kan me niet schelen. Het ruikt hier heerlijk naar pasgewassen wasgoed en – nog veel belangrijker - ik voel me lekker. Met af en toe nog een kleine kukel want het foute virus trippelt nu al voor de derde week op kousenvoetjes over mijn evenwichtsorgaan. Op links liggen in bed blijft een avontuur op zich en het uit mijn auto stappen ook. Maar er zit vooruitgang in. Vorig weekend leek het nog kermis. Al was dat heel misschien ook wel het simpele gevolg van een bijzonder enerverend verpozen met de Belofte. Zo’n duizelend hoofd is namelijk een heerlijk excuus om vooral veel en lang tegen iemand aan te hangen.

De kukels ten spijt ga ik toch weer naar kantoor. Wankel, doch stoer, vraag ik tegelijk maar een gesprek aan met mijn baas. Want, na twee weken naar het plafond staren, weet ik ineens weer wat ik wil. En vooral wat ik niet wil. De fulltime job in het notariaat komt mijn neus en oren uit. Ik wil meer genieten van kind, hond en huis. De baas toont alle begrip en geeft me carte blanche. De vierdaagse werkweek, waarvan één dag gewoon aan mijn eigen keukentafel, gaat meteen in. Met een warme Bram aan mijn voeten en de espresso uit pruttel binnen handbereik.

Ook stap ik weer op de fiets. Aarzelend. Beetje angstig, want stel dat ik om lazer? Ik fiets rustig. Bedaard. Als een bejaarde. Tot grote ergernis van de vader van mijn kind zelfs met mijn wankel evenwicht zonder helm. Ik houd mijn roer recht. Val niet om. En geniet schaamteloos. Van dat zonnetje, de wind in mijn haar. Niet van het zadel. Want dat is ‘m toch echt nog altijd niet. Uren later voel ik ‘m namelijk nog. Juist op die plekken waar je dat nou weer liever niet hebt.

En vandaag? Vandaag is het goddelijk weer. Kijkt Bram me met donkere smeekogen aan. Hij wil rennen. Vliegen. Met het schuim op zijn bek als een dolle door het zand en golven ploeteren. Ik geef me gewillig gewonnen en loop met hem en vriendin urenlang op het strand. Wát is het heerlijk. Een feestje op zich. In mijn hoofd even geen gespook. Maar rust. Een rust waar ik al zo lang naar verlang. En waarvan ik hoop dat ik ‘m vast kan houden.