17. dec, 2016

Lief

Als ik het park in loop zie ik ‘m zitten. Zijn zwarte kraalogen kijken me vorsend aan. Of ik wel zie dat hij daar zit. Ik houd mijn adem in. Het is een tijd geleden dat ik een roodborstje zag. Het vogeltje waar mijn vader zo dol op was. En dat ik sinds zijn overlijden met hem associeer. Ik geloof niet in reïncarnatie, maar stiekem hoop ik dat hij me op die manier een beetje in de gaten houdt. Hoe lekker is het idee niet. Dat hij om me heen fladdert?

Op het werk is het druk. In mijn kamertje boven zit ik moederziel alleen te tikken. Schuif ik van het ene dossier in het andere. Staan er zo’n 20 tabbladen open op mijn scherm en zit mijn hoofd stampvol. Het is december, dus het notariaat staat op knallen. Het heeft ook wel wat. Het stampen met zijn allen. Niemand mag vrij, ziek worden is uit den boze. Mijn kamertje alleen kent ineens ook voordelen. Ik kan de deur dichtdoen en me volledig afsluiten voor de buitenwereld. Focus op dossiers. Top 4000 zachtjes op de achtergrond. Het werkt.

Mijn hoofd tolt als ik na zessen het kantoor uit stap. In gedachten loop ik naar mijn auto. Tenminste, als ik die kan vinden. Er komt iemand op de fiets aan. Hij lacht naar me en zegt zachtjes “hallo”. Hij zet zijn fiets rustig neer en komt naar me toe. Hè, wat is dit nou weer? Mijn adem stokt in mijn keel, mijn hart maakt een kukel. Het is de belofte uit Milaan. “Omdat ik wel een knuffel kan gebruiken”. Toch in de buurt en waagde de gok. Hoe ontroert hij me. Het beeld van hem bij die vuurtoren met het waxinelichtje flitst voorbij. Hij is echt lief.