24. nov, 2016

Boem is ho

Ineens zit ik er bovenop. Op de auto die voor me staat bij het stoplicht. Die optrekt en dan ineens afremt. Ik zit met mijn hoofd heel ergens anders en heb niet eens tijd om te reageren. Voor ik het weet sta ik met een klap stil. Oef. Dit is me nog nooit eerder gebeurd. Bedremmeld stap ik uit. Een oudere man kijkt me nors aan. “Je zat zeker op je mobiel te kijken?” Als een schoolmeisje stotter ik, want zo ver zit hij er niet van af. De schade bij hem valt mee, bij mij is het minder vrolijk. Mijn nummerbord is gevlogen, mijn bumperstrips hangen er triest bij en oh goden, er loopt iets aan onder de motorkap. Ik mag er, zo luidt het strenge oordeel van de monteur de volgende dag, niet meer mee rijden. Hmmm. Had ik iets eerder moeten weten. Heb namelijk zoonlief ook nog met twee voetbalvrienden naar een wedstrijd gereden. En nog vrolijk ook. “Mam, we klinken nu als een motor.” De radiateur is een eigen leven gaan leiden en is tegen de uitlaat aan geperst. “Dat was een flinke klap mevrouw”, aldus de monteur. Ja, vertel mij wat.

En dus moet ik ineens van alles regelen. Verzekering, schadebedrijf en een route plannen met de trein richting werk. Wat een gedoe. ’s Morgens om zeven uur al op de fiets richting station. Een fiets die wanhopig aan vervanging toe is. Licht ontbreekt, versnelling werkt niet meer en tot overmaat van ramp ook een bijna lekke band. Het is waarlijk hard werken. De trein zelf is niet erg. Want hoe relaxed is het ineens appen met mijn belofte uit Milaan. Die weliswaar nog altijd een belofte is, maar mijn hart in een rap tempo voor zich lijkt te winnen. Met ingrediënten als lief, leuk, gek, chaotisch en stuiterend van de energie. Bruine ogen in lachend gezicht. Stoppels en een lijf waar je van om valt. Die met een kaarsje op me wacht in het donker. Naast een verlichte vuurtoren. Onder een volle maan. Hoe huppelt je hart. En hoe huppelt vervolgens je auto. Al heen en al weer. Vol tegen de trekhaak van een ander.