5. nov, 2016

Sprankje

Weer zit ik op de tribune. Dit maal is het mijn eigen grote vriend waar ik naar kijk. Geen kolkende tribunes, maar ouders die net als ik alleen maar willen genieten van hun voetballende kind.

Mijn hoofd is er niet bij. Die is bij iemand die ik nog niet ken, maar wel beter zou willen kennen. Vanwege de belofte die ik voelde in Milaan en die de afgelopen week alleen maar sterker werd. Maar er is ruis op de lijn. Hij heeft het druk, er is te veel chaos in zijn bestaan. Van alles iets te veel. Tijd lijkt zijn grootste vijand. ‘Niet erg’, zo zeg ik hem. ‘Neem je tijd.’ Ik meen het. Uit het diepst van mijn hart. Ik was ooit daar waar hij nu is en weet dat dat op het randje balanceren van omvallen, er goed in hakt. Toch haalt het een kleine streep door mijn rekening. In mij was immers dat zaadje geplant. Dat zaadje van hoop. En dat net lekker aan het ontkiemen was. Maar vooralsnog dus niet tot een fris groen plantje zal verworden.

Het zet me aan het denken. Want terwijl alle mensen om me heen doldwaas verliefd zijn, zit ik nu op zaterdagavond in mijn eentje te trutten op de bank. Mijn Italiaan geeft niet meer thuis. Is van de aardbodem verdwenen. Ik zal ongetwijfeld iets verkeerds hebben gedaan, maar ben me er niet van bewust. Misschien is dat eigenlijk nog wel het ergste. Trap ik hem op zijn hart en weet ik niet eens waarom. Maar eenmaal de liefde uit de lucht, lijkt een vriendschap ook niet meer mogelijk. Tot overmaat van ramp mocht ik vanmiddag ook nog de onmogelijke liefde van redelijke afstand aanschouwen. Grrrr. Het zou wel eens een hele lange avond kunnen worden.

En toch, toch zit ik eigenlijk best wel lekker. Op mijn eigen bank. Met een glas wijn, de verwarming een paar graadjes hoger en een tevreden snurkende Bram aan mijn voeten. Beetje schrijvend, beetje dromend, beetje denkend. Met toch dat kleine, kleine sprankje van hoop in mijn lijf. Want jongens, hij is leuk. Echt leuk. Maar te druk. En dat heb ik weer.