27. okt, 2016

Beloftevol Milaan

Een kind luid zingend naast me op de tribune. Met ogen die van opwinding bijna uit zijn kassen rollen. Stil zit ik er naast. Overweldigd door zoveel energie om mij heen. Het stadion barst zowat uit zijn voegen. Zo’n tachtigduizend mensen gaan compleet uit hun dak. Voornamelijk mannen. Blakend van de testosteron en een hoge adrenalinespiegel. Hoe geweldig is dit. Hoe ongelooflijk waanzinnig dat ik dit mee mag maken. Even kijk ik naar boven. Een klein stukje zwarte hemel kan ik zien. Een enkele ster. Zal die andere voetbalfan daarboven op een wolk mee kijken? En net zo genieten als dat wij doen?

De reis loopt op rolletjes. Voor ik het weet sta ik weer met mijn voeten op Italiaanse bodem. Deze keer dus in Milaan. Een echte winkelstad. Afgeladen vol met koopgrage mensen. Die allemaal één of meer tassen dragen van bekende modehuizen of winkelketens. Prachtige etalages, met producten waar ik alleen maar naar kan kijken. Ze zijn of veel en veel te duur of een maat of drie te klein. De frêle Italiaanse poppetjes tikken op kittige hakjes door de galerij. Haren in het gareel, het gezicht geplamuurd. Op en top chic. Hoe sjofel oog ik. Op gympen, met afzakjogging en lang vest. Maar, hoe gelukkig voel ik me. Ik proef vrijheid en ik voel me thuis. Ik lijk dan wel misschien niet zo Italiaans, maar voel het me wel degelijk. Voor de zoveelste keer neem ik me voor meer met mijn Italiaans te gaan doen. Lezen, films, muziek. Want hoe jubelt mijn hart bij deze waanzinnige taal. De poging om met de Italiaanse vriend alleen maar Italiaans te spreken, mislukte schromelijk. Het voelde niet natuurlijk en toneelspelen is niet aan mij besteed. Mede daarom werd onze gezamenlijke toekomst waarschijnlijk vroegtijdig in de kiem gesmoord.  

Met mijn grote puberkind slenter ik door straatjes. Ga ik op zoek naar die ene sportwinkel voor hem. Waar een sterke portier de wacht houdt, omdat er te veel mensen in de winkel zijn. We sluiten simpelweg aan in de rij. We gaan metro in, metro uit. Lopen in de zon en in de regen. Dat ik nat word deert me niet, totdat ik me bedenk dat er sinds kort – hoe leuk leek het - een rode spoeling door mijn haar zit. En ik ter contrast een witte sjaal bevallig om mijn nek heb geknoopt. Snel schiet ik een gebedje de lucht in. Opdat ik straks niet als Pipo de Clown Milaan onveilig maak.

Ondanks mijn diep gewortelde angst stap ik zelfs midden in de nacht in een taxi. De metro rijdt niet meer en waar welke tram stopt, Joost mag het weten. De taxi lijkt zo gek nog niet, totdat hij ons aan de verkeerde kant van het station dumpt en de weg naar het hotel met vermoeide benen nog best een lange is. “Volgende keer gewoon naam van het hotel zeggen mam.” Al doende leert men.

In het hotel spelen we spelletjes, liggen we geradbraakt van al het lopen samen op het wiebelige bed en appen we – lang leve de wifi – wat af. Mijn berichten zijn die laatste avond opeens weer interessant gekleurd en voorzichtig tast ik in dat heerlijke duister. Niet wetende wie ik nu eigenlijk op de lijn heb, hoe hij is of hoe hij heet. Wel is er herkenning in dat wat hij zegt en de manier waarop. Ik geniet van de gekozen woorden en de beloftes die ze ongemerkt inhouden. Met een glimlach val ik in slaap. Milaan. Meer dan heerlijk.