15. mei, 2016

Groene vingers

Het was mooi weer. En ik heb weer bruine handen. Ineens zie ik ze. Naast die van een ander altijd meer dan bruin. Vroeger schaamde ik me voor ze, ik leek daardoor anders dan de anderen. Maar nu, nu word ik er blij van. Fijn dat ik anders ben. Het geeft me een zomers gevoel. En ze doen me denken aan de handen van mijn moeder.

Het zijn vandaag wel handen met zwarte nagels. Ik heb in de tuin gewerkt. Ondanks de zeurende pijn in mijn onderrug. Gespit en onkruid geroeid. Aanvankelijk met handschoenen aan, maar ergens uitgedaan en vervolgens niet meer te vinden. Diep achter in mijn tuin bevindt zich namelijk een stuk wildernis. Waaraan jarenlang niets is gedaan. Er liggen grindtegels, maar ook veel, veel troep. Houten borden met tekst van de buren, er staat een oude plastic bank en stoel. En er ligt een stuk grond braak. Nou ja, braak. Het is om te braken. Wat een bende. Onkruid, planten, oude omgevallen bomen, spontaan groeiende jonge bomen, veel klimop en jawel, onder een laag oude takken en planken ook nog aardewerken potten. Volledig in tact en na een sopje, weer zo te gebruiken. Kringloop, gewoon in mijn eigen tuin.

De zaadjes die ik van vriendin kreeg, zijn uitgekomen. Kleine, maar stevige plantjes waaraan, met een beetje mazzel, ooit courgettes zullen groeien. Ook de pompoen heeft zijn kopje boven de aarde gestoken. Ze kunnen geplant. Ik spit het stuk grond om. Maak een provisorisch hekje met materiaal wat ik uit de tuin vis. Dikke takken zaag ik in stukken en sla ik in de grond. Daaraan maak ik oude planken vast met een stuk touw. Zodat mijn blonde vriend niet dwars door de courgettes baggert en ze zelf gaat bewateren of bemesten. Het ziet er niet uit, maar lijkt effectief. Ik struikel er namelijk zelf over en lig bijna met mijn neus in de natte klei. Als ik na een paar uur worstelen mijn plantjes in de grond zet, ben ik de koning te rijk. Het is gelukt. Ze staan. Trots begieter ik mijn nieuwe verse vriendjes. Die van mijn bruine handen groene vingers moeten gaan maken. Een brutale zwarte vogel loopt ondertussen frank en vrij dwars door mijn groenproject. Het kreng zal toch niet de plantjes eruit pikken hè? Even schiet de katapult van mijn vader door mijn hoofd. Mijn broer heeft hem nog. Gemaakt van een tak en de mooie leren laarsjes van mijn moeder. Zonder dat ze het wist waren die ineens een stukje lager geworden.

Een moestuin verder hijs ik me gelukzalig met rode wangen van vermoeidheid onder mijn kleedje op de bank. Geniet ik van een flinke bel rosé en een lekker stuk kaas. Lekker dagje zo. Mijn kind onder de vleugels van zijn vader en mijn vleugels gespreid. Vrij als een vogel. Wel eentje die wat vleugellam is. Want het glas rosé komt binnen. Ik trek het kleedje tot aan mijn kin. Droom ik wel over die vrijheid. Ook goed.