18. okt, 2015

Gemis

Het stormt. En wel in mij. Buiten is het somber, regenachtig, maar bladstil. Ik zit echter als een stuiterbal achter de laptop. Moet nog redactiewerk doen voor de plaatselijke voetbalclub, maar mijn hoofd wil niet. Daar zit het zo ongelooflijk nokvol met dingen die er uit moeten. Zinnen, beelden en veel te veel gedachten. Positieve verdringen de negatieve en vice versa.

De makelaar heeft gister een bod uitgebracht. Op de droomvilla. Een stuk lager dan de vraagprijs. Hij durft het en ik durf met hem mee. Maar daar ging nog wel iets aan vooraf. Zoals slapeloze nachten. De nodige gesprekken. Met anderen, met mezelf. Want, wil ik dit huis? Wil ik dit echt? Als het bod wordt geaccepteerd, hang ik. Als een marionet aan vele touwtjes. Natuurlijk met de mogelijkheid om die touwtjes door te knippen, maar toch. Als het huis van mij wordt, moet ik hier weg. Weg uit de buurt waar ik nu 18 jaar woon. Weg uit het huis dat van mij is. Waar mijn kind (min of meer)  is geboren en waar ik lief en leed heb gedeeld. Het huis dat mijn ouders kennen. Maar ook het huis, waar ik mezelf verloor, hervond en toch weer verloor.

Ik moet nog één grote hobbel nemen. Voordat ik vrij ben om te gaan. Een mega- giga grote hobbel. Een hobbel die ik al tientallen keren heb willen nemen. En min of meer ook nam. Maar toch telkens te groot bleek. Omdat ik niet los kan laten. Geen afscheid kan nemen. Ook niet van die geesten uit het verleden. Die me nog altijd zo raken, met me op de loop gaan en mijn verstand totaal blokkeren. Waardoor fantasie ineens weer werkelijkheid lijkt. De wereld weer een beetje mooier kleurt. Ik schuif de hobbel wat voor me uit. Weet dat ik er ooit over heen moet, maar nu dan nog even niet. Wie weet waar het goed voor is. Dat vooruit-geschuif.

Het is herfst. Overal liggen bladeren. Met kleuren waar ik zo van houd. Ik sta in het park, ver van het geëffende pad. Met paraplu en een verregende Bram. Aan de andere kant van de sloot loeit een koe. Tenminste, dat denk ik. Als ik goed kijk, zie ik dat het een stier is. En een forse ook. Met een hele vage zwart/wit tekening. Hij is vast bijzonder. We kijken naar elkaar. De stier en ik. En wisselen even een blik van verstandhouding. ‘Het komt wel goed’, zo lijkt hij vaderlijk te willen zeggen. Of wil ik dat hij dat zegt? En is het dat wat ik op dit moment zo mis? Even een vaderlijk advies. Even die arm om me heen. Even gewoon weer kind zijn.