6. okt, 2015

Oef

Het is zaterdagmorgen. En prachtig weer. Omdat het vandaag “open huizen”-dag is, loop ik al vroeg met mijn blonde vriend in het park. Uitzinnig van vreugde springt hij in al het riet dat huizenhoog langs de sloot ligt opgestapeld. Er uit getrokken door een vernuftig grijpertje en voor Bram het ware walhalla. Tussen dat riet ligt namelijk van alles. Dood of still alive and kicking. Zo vertelt zijn neus. Totdat hij ineens door het riet zakt en kopje onder de moddersloot in gaat. Proestend en zwart van de bagger stapt hij drijfnat op de kant. Kijkt mij aan, alsof het mijn schuld is en stapt verdwaasd weg. Schudt zich wel tien keer uit. Zijn kop blijft zwart. Wel leuk gezicht. Het is net een zeehond nu. Straks eerst maar met hem onder de douche.

Huizenjacht. Mijn hoofd loopt er van over. Want hoeveel huizen moet ik nog in om te kijken of dat mijn nieuwe nestje zal worden? Samen met vriendin en manlief bezocht ik van de week een wat ouder huis. Keurig in een rijtje, met voor- en achtertuin. Eigen kantoortje, berging en bijzonder lange keuken. Met een mogelijkheid voor een potkacheltje. Want, eureka, er is een rookkanaal met schoorsteen. De rest van de kamer valt weg. Ik zie geen lelijk plafond of fout stucwerk. Ik zie een vrolijk snorrend kacheltje. Ik zie mezelf met breiwerk en kleedje op de bank. Of met Romeo die mij ook zonder dat kacheltje warm weet te houden. Een huis met potentie, zo luidt het oordeel. We zijn unaniem. Nu maar hopen dat Romeo dat straks ook heeft. Potentie.

Toch kijk ik nog stiekem even verder. En stap ik op zaterdag het huisje van mijn dromen binnen. Oud, klein en laag. Te laag voor mijn grote kind. Te duur voor mij. Maar kwijlend loop ik er rond. Ik zie een bedstee waar de televisie in staat. Deurtje dicht en tv is uit zicht. Hoe leuk is dat. Ik zie een grote boekenkast met glas in lood. Ik zie doorleefde vloeren en een keuken en badkamer waar ik erg blij van word. Maar ik weet wat kan en niet kan. En dit kan niet. Simpel. De huizen die ik daarna bekijk, vallen natuurlijk in het niet. Op eentje na. Vrijstaand, wit en ook met potkacheltje. Maar helaas ook boven mijn budget.

Het oudere huisje van van de week blijkt zo gek nog niet. Financieel haalbaar en het stekje is leuk. Vooral zonnig en licht met lekker veel buiten. Zal ik nog een keertje kijken?  Zal ik gaan bieden? Zal het ooit mijn huisje worden? Slik. Ik teken en teken. Richt het huisje in met de spullen die ik inmiddels heb verzameld. Het potkacheltje ontbreekt nog. Maar is al toegezegd door man van collega. Hoe leuk zal die staan. Vlak bij die oude ronde eettafel. Of ga ik toch voor een rechthoekige? Met heerlijk oude bank? En welke kleur kalk ik op de muren? En de keukenkastjes?

Oef. Wordt vervolgd.

 

(Gedicht op foto is van Erik van Os, afbeelding van Plint)