11. sep, 2015

Hoe fout

Ik zie ‘m hangen. Een zwart krullerig wollen jasje. Met een soort van bontachtige kraag. Veel pluis, met wijde mouwen, als een soort van poncho. In de jas een label van een bonthuis uit Amsterdam. Oei. Dat had ik niet verwacht. Bont. Hoe fout wil je het hebben. Maar ja, het dier is toch al dood. En de jas meer dan tweedehands, zo denk ik. Toch wil ik ‘m passen. Met collega, die normaal gesproken een blik verf klaar heeft voor bontdragers, sta ik voor de spiegel. Ze krijgt het amper haar strot uit, toch zegt ze dat de jas me prachtig staat. Ik slik. Want hoe leuk zou die zijn op mijn zwarte leren jurkje. Met een paar kilo minder her en der op het lijf, dat dan weer wel. Ik wik en weeg en sta te draaien. Bont. Ik heb er niets mee. Maar nu wel. Deze jas maakt me hebberig. Iets later sta ik bij de kassa.

Door het dralen bij de jas komen we een half uur te laat op kantoor. Mijn baas kijkt er niet meer van op. Hij hoort ons gieren van de lach en herkent de pret. Ik laat hem de jas zien. Hij grijnst met ons mee, zegt niets en vindt er ongetwijfeld het zijne van. Een poos later staat hij aan mijn bureau. Hij weet wat voor soort bont het is na een bezoekje op google. Het is astrakan. Afkomstig van een karakoelschaap, ook wel breitschwanz genoemd. Klinkt allebei lekker en dan met name het laatste. Want zo voel ik me vaak genoeg. Het blijkt een sterk en tamelijk kostbaar bont van een pasgeboren lam. Slik. Een lam. Hoeveel lammetjes zijn er nodig geweest voor die jas? Ik troost me de gedachte dat ze in ieder geval niet voor niets dood zijn gegaan. De dame voor mij (of heer, wie zal het zeggen) heeft de jas vast met liefde gedragen. Net zoals ik ook ongetwijfeld ooit een keer zal doen. Naar een sjiek feest. Of trieste uitvaart. Vooralsnog hangt de jas over mijn bureaustoel. Streel ik het zachte bont als ik er langs loop. Hoe mooi, hoe heerlijk. Hoe oh zo fout.