7. sep, 2015

Kabouterhuis

De hele week ben ik ’s avonds in de weer. Zo pluk ik mijn kind van het politiebureau, ga ik uit eten met mijn baas, breng ik met datzelfde kind een bezoek aan de tandarts, woon ik een première bij van een Italiaanse film in Amsterdam en vier ik feest op een verjaardag. Tussendoor houd ik me bezig met het bekijken van huizen en werk ik ook nog iedere dag op kantoor. Nou, wie heeft dat?

Het kind speelde dus een prominente rol deze week. Positief, dat zeker. Want geen gaatjes bij de tandarts en de eerste 9 en 10 zijn binnen. Maar ook negatief. Omdat hij op een politiebureau belandt en wij, als zijn ouders, de eer hebben hem daar op te halen. Na uren wachten.

Het eten met de baas is buitengewoon gezellig. De risotto is bijzonder smaakvol en het toetje tongstrelend. Daarnaast ontpopt de oud-notaris zich als een vrouwenkenner pur sang. Hij zit tenminste de hele avond omgekeerd op zijn stoel om al het vrouwvolk te bekijken en te begroeten. Steevast gepaard met hartstochtelijke klapzoenen. Zo leer je nog eens iemand kennen.

De Italiaanse filmavond is een bijzondere. Tenminste, zo begint die. Hoe knap moet je zijn om op het pittoreske station van Heiloo de verkeerde trein te nemen. We daardoor over moeten stappen, ternauwernood het pontje halen en als een hijgend hert het Eye binnen rollen. Ik me vol overgave op een grote bel Campari stort (lekker, erg lekker) en vervolgens nog maar net het einde van de film haal. Want alcohol en ik, we zijn nog altijd niet de beste vrienden. De film is mooi en confronterend. Met een moeder die sterft. Op zijn Italiaans, ook nog. Traag, trager, traagst. Niet dat sterven hoor, maar de beelden. Toch staat mijn hart weer wagenwijd open. Reageert alles in mij. Hoe mooi is die taal. Hoeveel emotie brengt het telkens weer met zich mee.

Nog meer emotie openbaart zich bij het huizen kijken. Samen met echtgenoot ben ik op zoek. Niet naar een huis voor ons samen, maar voor mij met kind. Onze wegen gaan scheiden. Letterlijk deze keer, want het convenant is al in de maak. Wederom zal ik mijn koffers pakken, wederom ben ik het die zal gaan. Het valt me zwaar. Veel zwaarder dan toen. Toen was ik immers straalbezopen van verliefdheid en keek ik halsreikend uit naar mijn vrijheid. Hoe anders is het nu.

Mijn oog is gevallen op een klein, oud, maar voor mij betaalbaar huis in het dorp. Een kabouterhuis. Manlief past in ieder geval niet onder de deur door en mijn kind dus binnenkort ook niet. Het zal passen en meten worden. Want waar laat ik al mijn boeken, de wasmand en waar de stofzuiger. Het huis is echt klein. Toch voelt het goed en smaakt het ondanks de afmetingen naar meer. Maar ik aarzel. Door alle lieve, goedbedoelde raadgevingen van de mensen om mij heen. Door mijn grote kind dat alleen nog maar groter wordt.