8. jun, 2015

Festival

Het is de dag van het muziekfestival. Met een hoofd als een vergiet sta ik op. Ik smeer brood en krijg zelf geen hap door mijn keel. Hoe beroerd kun je je bed uitstappen. Het is vrijdag en ik moet naar kantoor. Ik besluit nog even mijn bed in te kruipen. Neem een paracetamol en hoop dat de hoofdpijn wat zal zakken. Dat doet die. Maar dan is het al half 9. Ik bel naar kantoor om te zeggen dat ik wat later kom. ‘Doe rustig aan, er is hier geen brand’, zo krijg ik te horen. Ik moet er om lachen. Hoe relaxed wil ik het hebben.

De dag op kantoor kom ik met veel gapen door. En ik die normaal gesproken nooit iets wil slikken, slik me nu suf aan de paracetamol, want oh jongens, ik moet nog naar een festival. Buiten is het dik dertig graden en versuft rij ik naar huis. De warmte valt me niet lekker en ik beland met auto en al bijna twee keer naast de weg. Slaap overvalt me. Ik zet de radio hard, de ramen wagenwijd open. Als dit maar goed gaat.

De dame die mij meevroeg staat aan het eind van de middag met open armen op me te wachten. Zo ook de kinderschaar waar wij ons over zullen ontfermen. Vier pubers die staan te trappelen om hun eerste dancefestival mee te maken. Drie prachtige meiden met lange blonde haren en benen waar ik met verbazing naar sta te kijken. Want die benen zijn zo lang. Er komt geen eind aan. Eigenlijk precies zo als ik ze wel voor één dag zou willen hebben. De enige jongen in het gezelschap doet zich voor als de macho, doch zijn manier van praten doet anders vermoeden. Ik sluit hem, misschien wel juist daarom, meteen in mijn hart. Hij is open, eerlijk en zo kwetsbaar.

Mijn hoofd is nog altijd niet in orde. Het bonkt en mijn ogen doen het niet lekker. Ik zie een beetje dubbel, alsof ik ze niet scherp kan stellen. Toch ga ik mee. Het zal toch heus een keertje overgaan? Het begint te regenen. Van ’s zacht tot hele dikke druppels. We staan in de rij. Een hele dikke rij. In de volle regen. Poncho’s worden uitgedeeld. Iedereen is gelaten. Iedereen is nat. Mijn hoofdpijn zakt. De regen is ineens welkom.

Als een Alice in Wonderland kijk ik rond. Wat een gemêleerd gezelschap. Ik verwonder me over alle soorten mensen. Er loopt van alles en een aantal wel heel erg wonderlijk uitgedost. Ik kijk mijn ogen uit, maar geniet van het gevoel van vrijheid dat me bekruipt. De ontspannen sfeer. Waarin ik even niets moet, niemand iets van me verwacht. Het optreden van Anouk verrast me. Niet dat haar muziek me zo raakt, dat dan niet. Maar haar energie raakt me wel. Wat een power, wat een bezieling. Wat een waanzinnig mens. En wat een stem.

Op dag twee van het festival zit ik op een meegebracht kleedje heerlijk in de zon. Als een halve hippie te zitten. En luister ik naar de optredens. Kijk ik naar het ontspannen gezelschap om me heen. Duizenden mensen. Het is afgeladen vol. Ik praat veel met dame waar ik mee op pad ben. De gesprekken gaan diep. We kennen elkaar niet zo goed, maar dat is na dit festival echt wel anders. Hoe bijzonder. Ze is lief, oogt als een frêle poppetje, maar is een stuk kordater dan ik. Ze raakt bijna nog op de vuist als iemand tijdens een optreden haar plaats dreigt in te nemen. Weer, hoe bijzonder. Ze verbaast me.

Het optreden van Racoon is de afsluiter van het hele gebeuren. Voor mij tevens het hoogtepunt. Ik heb wat met die zanger. Geen idee hoe hij heet, maar hoe lekker vind ik hem. Zijn bevlogenheid, zijn ontspannen manier van zingen. Tegelijk met mijn blijheid, voel ik dat gat in mijn buik. Dat gat waarvan ik weet dat die dicht moet. En ook ooit echt dicht zal gaan. Maar nu dan nog heel even niet.