10. mei, 2015

I want to ride my...

Hoe lekker kan het zijn. Met rode wangen en verwilderde haren thuiskomen. Moe, maar voldaan. En niet één keer, nee, twee keer dit weekend.

Vrijdag rijd ik na een lange dag op kantoor in mijn auto naar huis. En waar ik ook kijk, overal zie ik wielrenners. Nu ben ik het zelf niet, een wielrenner, maar toch, als je op een racefiets zit, lijk je er wel eentje. Helemaal als je strak in het pak op dat zadel klimt. Het is goed weer, een klein zonnetje en niet te veel wind. Eenmaal thuis eet ik snel iets, app ondertussen een vriend en hul me daarna in mijn strakke pak. Vriend staat al keurig op het hoekje. In een al net zo strak pak. Hij alleen wel met helm. En ik niet. Die van mij hangt keurig in de garage. Mooi te glimmen. Ik vind dat zo niks op mijn hoofd. Het zweet en het ziet er niet uit. Ja, ik ben eigenwijs. Ja, ik loop risico. Mocht ik op mijn hoofd vallen, ben ik het bokkie. Maar gekker dan dat ik nu ben, zal ik toch wel niet worden. En als het mijn tijd is, is het mijn tijd. Zo sprak ze monter.

Vriend is goed op dreef. Met een hele foute, maar inmiddels al tig keer gereviseerde knie, zet hij er een lekkere spurt in. Hij heeft er zin in. Ik haak aan en hoop dat ik hem bij kan houden. Die eerste kilometers ben ik nooit zo op mijn best. Als ik dat namelijk wel ben, ben ik dat die kilometers daarna niet meer. Kiezen of delen dus, maar nu valt er weinig te kiezen. Ik doe net of het ook bij mij vanzelf gaat en klets ondertussen dapper voort. Hoe we gaan? Jongen, jouw feest. En dat wordt het. Hij kiest voor polder, hij kiest voor zee. Stukje duinen, hatsikidee. Of het nog gaat? Ja hoor. Het gaat. Met de nadruk op gaat. Mijn kilometerteller zit in mijn zak, maar ik voel aan mijn benen dat we al over de 20 kilometer heen zitten. En moeten minstens nog zo’n stuk terug. Ik kies voor avontuur en ga een schelpenpad op. Omhoog. Oeps. Te steil voor Sil en ik stap af. Bijna te steil voor vriend. Die komt mopperend en wel maar net aan boven en wenst me van alles toe. Ik stap weer op, zet flink aan en ga de bocht in. Bijna, bijna ga ik onderuit. Want, de goden zij geprezen, ik heb een lekke band. Voor het eerst in mijn toch al jarenlange fietscarrière rijd ik lek. Vriend kijkt om. Waar ik blijf. Joehoe, ik sta leeg. Vertwijfeld keert hij om. ‘Dat meen je niet’. Echt wel dat ik het meen. Vriend stapt zuchtend af. Zet zijn runtastic-app af. Want, zo’n onverwachte stop is slecht voor zijn gemiddelde. Ik krijg de slappe lach. Heb mijn mobiel al in mijn hand om echtgenoot met auto te bellen. Maar vriend heeft nieuwe binnenband bij zich. Welke maat ik heb? Ik heb werkelijk geen idee. Dubbel D van boven, drie keer XL halverwege. Oh, mijn bandenmaat. Ik zet mijn fiets naast die van hem en zo op het oog lijken de wielen hetzelfde. Toch? Binnen 10 minuten heb ik weer een nieuwe band en kunnen we verder. Echt handig zo’n man mee op route. Na zo'n twee uur rijden we elk ons eigen pad weer op. Net als ik is mijn mobiel leeg. Totaal leeg. Grrr. Weet ik nog niet hoeveel ik gefietst heb. Ik hang mobiel aan de lader en spring onder de douche. Hul me daarna in wijde jogging-ensemble en pak een boek. Mijn echtgenoot ligt luid te snurken op de bank beneden en ik kies, rozig en wel, voor mijn bed. Vriend appt me onze score door. Ruim 40 kilometer weggetrapt. Met een kleine pauze. Niet slecht en eerlijk is eerlijk, deze keer geheel en al dankzij hem.

Vandaag  schijnt de zon. Weer zit ik in de auto en weer kijk ik verlangend naar buiten. Zal ik zo nog even…? Ja, dat zal ik. Want ik klim op de fiets. Deze keer alleen en met iets meer wind dan vrijdag. Maar zo, zo lekker. Rode wangen en haren in een coupe wanhoop. Rondje polder, rondje zee. Deze keer is het mijn feest. Moe, maar voldaan zit ik anderhalf uur later met mijn wielerbroek op half zeven onderuit in de tuin. Bijna 35 kilometer in de benen. Het zonnetje kietelt, de hond aan mijn voeten, koffie met koek binnen handbereik. Het is echt mijn feest vandaag.