12. apr, 2015

Schommel

Zondagmorgen. Rondje park. De zon schijnt en Bram is wild. Ik zie een paar kinderen op de schommel. Luid joelend vliegen ze door de lucht, aangeduwd door hun vader. Ik mijmer terug. Hoe heerlijk was het vroeger op een schommel…. Wind door je haren, liefst staand op die houten plank en dan, op het hoogste punt, loslaten en gelanceerd worden… Met een beetje mazzel dan vallen in het rulle zand of gras en stiekem weten dat er al weer een blauwe plek bij is gekomen. Hoe lekker was het? Of als een echte turnster op het klimrek? De dodensprong eigenlijk niet kunnen, maar toch gewoon doen? Of op de stang, als een dolle, met gestrekt been, rondjes blijven draaien. Tot ik er misselijk en duizelig van werd. Ik deed het. Net als dat ik op daken klom. Van twee hoog via ons balkon naar de stoep afdaalde. Of op doel stond bij de jongens met voetbal. Hoe stoer was ik toen. En nu?

Nu niet zo stoer. Ik zit tegen dingen aan te hikken, waar ik al lang en breed uit had moeten zijn. En als ik al eens letterlijk val (door een dolle Labrador bijvoorbeeld), ga ik als een plumpudding tegen de grond. Breek ik zowat mijn pols, omdat ik zo elegant ter aarde stort. Of mijn pols mijn val heeft overleefd? Geen idee. Na drie weken voel ik ‘m nog altijd.

En als ik figuurlijk val? Omdat de dingen uiteindelijk niet gaan zoals ik hoop? Ach, dan krabbel ik telkens wel weer overeind. De ene keer met iets meer littekens dan de andere keer. Maar toch ook iedere keer een stukje sterker. Iets weten of verstandelijk beredeneren is één, maar het dan ook nog zo voelen, is wat anders. En dus blijf ik hangen. Schommel ik lekker door de lucht. Tot het moment dat ik het zeker weet. En er op het juiste moment van afspring.