7. apr, 2015

Vijgen

Pasen. Ik sta radijsjes schoon te maken en in plakjes te snijden. Hoe lekker vind ik ze. Ieder voorjaar weer. Beetje zout er op en ik ben ineens weer terug bij mijn vader en moeder. Mijn moeder die ze altijd op vers wit brood deed. Mijn vader die ze plantte in zijn volkstuintje. En ik die ze daar dan uit at. Zo uit de grond. Rauw, ongewassen en vooral heel snel. Zodat hij het niet zag. Net als de worteltjes, de uitjes (oef, die stengels, zo lekker..) en de radicchio. Van de worteltjes en radijsjes plantte ik altijd het groene loof weer terug in het gaatje. Dan viel het niet zo op. En als mijn vader het dan merkte, vloekte hij eerst zachtjes en binnenmonds. In het Italiaans. Maar nog harder moest hij lachen. Om mijn gezicht en mijn gespeelde onschuld.

Nog altijd ben ik gek op rauwe groente. Tijdens het schoonmaken van welke groente dan ook staan mijn kaken nooit stil. Bloemkool, aardappelen, witlof of uien. Ik steek alles in mijn mond. Gulzig en gretig, maar krijg ook altijd, maar dan ook echt altijd daarvan de hik. Mijn straf. Omdat ik alles lust. Alles wil proeven.

Dat eten van alles wat je tegen komt, heb ik trouwens van mijn vader. Het is genetisch bepaald, zo denk ik. Of ik heb het gewoon gekopieerd. Dat kan natuurlijk ook. Maar ook mijn vader liep altijd te kauwen. Als hij een rondje bij mijn tante in Italië over het boerenerf liep, was er veel te halen. Hazelnoten, tomaten, druiven, granaatappels, pruimen, meloenen en overrijpe vijgen. Je kon het zo gek niet bedenken of het groeide er. Zodra mijn vader dan ook aanstalten maakte om een rondje te gaan lopen, liep ik trouw als een hond met hem mee. Want waar hij heen ging, was altijd iets te eten. Mijn vader maakte met zijn tanden de noten voor me stuk. Plukte met een stok en een opengewerkt blikje daar aan vast, de vijgen van de takken. Oh, die vijgen. Mierzoet, wee. Al zo rijp, dat ze openbarstten waar je bij stond. Plakkerige vingers en een vieze mond. Maar heerlijk, heerlijk. Alleen al de herinnering doet me het water in de mond lopen. Maar ook de herinnering aan te onrijpe pruimen. Zo zuur als maar kan. Maar ja. Het blijft eten en dus een zonde om weg te gooien. Dus kauw je dapper door. Net als je vader.

Eten. Ik heb echt levenslang. Die eeuwige strijd met mijn overtollige kilo’s. Val ik 15 kilo af, kom ik er ook altijd weer 20 aan. De laatste jaren ben ik wat lichter. Door veel fietsen, maar zeker ook door diverse andere hartstochtelijke perikelen, viel ik af. Nu ik de laatste weken weer meer eet, maar daarentegen door een druk programma en barre weersomstandigheden wat minder fiets, zie ik mezelf groeien. Gestaag neemt de omvang van buik, borst en billen toe. Probeer ik het een en ander te verhullen door overal en altijd mijn buik in te houden en beeld ik mezelf in, dat ik er iets voller toch stukken gezonder uit zie. Mijn huid minder rimpelt en mijn gezicht meer straalt. Maar wie houd ik eigenlijk voor de gek? Me, myself and I.

Maar wat kan het me eigenlijk schelen. De lente is begonnen. Met af en toe een heerlijk zonnetje. Zoals vanmiddag. Onderuit in de tuin na een enerverende tocht op mijn rode RIH en een wandeling met Blondie. En ach. Voordat ik me in bikini of korte broek zal hijsen, heb ik ook weer meer gefietst. Lijken mijn benen wat strakker en zijn ze in ieder geval een stuk bruiner. Het komt allemaal goed. Gelukkig is die ellendige bus slagroom nu leeg. Zojuist leeggespoten rechtstreeks in mijn mond… Brrr. Zo lekker. Bijna, bijna net zo lekker als die vijgen samen met mijn vader. Al kan daar niet veel tegen op.

Alhoewel..🙃