26. feb, 2015

De ontmanteling

Je zal maar een hond zijn. Vol leven, adrenaline en mannelijkheid. Maar je baasje vindt dat je eigenlijk misschien wel een beetje te vol leven zit af en toe. En net iets te veel mannelijkheid aan de dag legt. Je ’s avonds te vaak je eigen feestje viert. Op zoek naar ontlading en bij gebrek aan beter dan maar met een kleed door de kamer heen hopt.

Bram is er zo één. Het maakt mij het baasje. De chemische castratie van mijn blonde vriend was bijna uitgewerkt en dus stond ik voor een dilemma. Algehele castratie of toch maar weer een chip tussen de schouders? Het laatste is vrij kostbaar en moet twee keer per jaar. Zoals vaker is geld doorslaggevend. De afspraak met de dierenarts was zo gemaakt. Vanmorgen was het zover. Nuchter lever ik hem af. Hij dan nuchter, ik met drie boterhammen achter mijn kiezen. Hij blijkt te zijn afgevallen. Hij wel. Anderhalf kilo ook nog. Bram is wild. De dierenarts heeft altijd heel veel lekkere snoepjes. Hij is niet te houden en met bezwaard hart geef ik de riem uit handen. Ik mag hem tussen de middag weer ophalen. Bram begint te blaffen, kijkt me met zijn donkere ogen treurig aan. Waarom moet hij daar blijven? Ik mompel wat, trek snel de deur achter me dicht en haal diep adem. Ik ben hier nooit zo goed in. Waarom bepaal ik wat er wel en niet met dat beest gebeurt? Van waar die macht. Omdat het beter voor hem is? Huh, echt niet. Ik hoor het Bram denken. Want hoe lekker zijn die feestjes niet, zo vlak voor het slapen gaan? En wat nu toch te doen als er een heerlijk loops teefje voorbij stiefelt in het park? Alleen maar je neus ophalen en dan maar weer dom rennen achter een ander alfamannetje aan?

Als ik thuis ben, ligt Bram al onder het mes. Is hij diep onder zeil en is er geen weg meer terug. Is hij van viriele hond ineens een je-weet-wel kater. Ik leef met hem mee, maar denk toch het beste te hebben gedaan. Hoe hypocriet kun je als mens en vooral als baasje denken. Aan mijn lijf immers geen polonaise nu. Ondertussen poets, zuig en dweil ik mijn hele huis. Bram mag vaker onder het mes, het komt mijn huis in ieder geval ten goede.

Een paar uur later ga ik samen met mijn andere blonde vriend Bram ophalen. “Er zit al weer heel wat leven in”, zo zegt een vrolijke dierenarts. Om vervolgens terug te komen met een zombie aan een riem. Een zombie met een enorme plastic kap om zijn hoofd. Die, er nog net een kwispel uit kan gooien, en dan geruisloos door zijn hoeven gaat. Hij is werkelijk zo stoned als een garnaal. Met zijn ogen op half zeven is er geen leven in te krijgen. Hoe ter wereld krijg ik deze 40 kilo schoon aan de haak in mijn auto? We tillen 'm met zijn tweeën op en leggen hem achter in de auto. Ik rijd nul in het uur naar huis. Bang als de dood dat Bram met zijn slappe lijf de auto door wordt geslingerd. Hij mag dan een kap op zijn hoofd hebben, het is geen valhelm. Thuis leggen we hem behoedzaam in zijn mand. Dicht bij de verwarming. Zijn kap zit hem dwars. Hij kan niet likken, niet bijten en niet lekker liggen. Hij kan net niks. Die kap zelf is al een prima voorbehoedsmiddel. Hij blaft wat. Jankt wat. Gaat overeind, zet drie stappen en gaat liggen. Zijn poten en lijf zijn koud. Drinkt en eet niet. Tja. Hij is wel lekker rustig. Dat wel. Maar wat een sneu gezicht dit. Ik ga naast hem liggen op die koude vloer. Streel zijn koude lijf. Zijn droge neus. Brrr. Wat stinkt het in die kap. Arme, arme Bram. Ontmanteld. Ontgoocheld. Van zijn mannelijkheid beroofd. Dankzij mij. Echte liefde heet dit. Verbeeld ik het me nu of ligt Bram met een diepe frons tussen zijn ogen naar me te kijken? Alsof hij zint op wraak? Is er iets waarmee hij mij kan raken? De antieke kasten heeft hij al aangevreten, dat is geen optie meer. Zijn blik dwaalt af. Naar mijn gympen. Net nieuw. Zijn frons is verdwenen.