24. feb, 2015

Foute man

Het is dinsdag. Ik ben vrij. Vrij om te doen en laten wat ik wil. De zon schijnt. Waterig, maar toch, hij schijnt. Man is aan het werk, kind nog op één oor. Het is vakantie. Tenminste, voor hem. En voor een aantal andere mensen om mij heen. Ik neem een warme douche, droog mijn haren en smeer wat op mijn gezicht. Trek mijn spijkerbroek aan, een shirt en mijn bergschoenen. Wikkel een sjaal om mijn nek en hijs me in een warme jas. Bram staat al te kwispelen. Hij kijkt verheugd. Vragend ook. “Gaan we?” Ja, we gaan. Het park in. Dit keer geen rondje plantsoen, waar hij zo langzamerhand ieder grassprietje wel van moet kennen.

Vanuit de verte zie ik ‘m al. Die foute man met net zo’n hond als Bram. Zijn hond is iets kleiner en wat wolliger. Maar luistert net zo beroerd. Foute man heeft ook nu weer zijn telefoon aan zijn oor gekluisterd. Druk bellend en hard pratend maakt hij zijn rondje door het park. Hij kan of zijn werk niet loslaten of hij heeft gewoon een ander naast zijn vrouw. Hij is er in ieder geval het type man voor. Tenminste, dat denk ik en zo schat ik hem in. Ook vandaag heeft Bram het op de foute man voorzien. Weer springt hij huizenhoog tegen hem op. Met een gezicht als een oorwurm probeert hij Bram met arm en been te weren. Maar weer is zijn broek vies. Ik loop wat beschaamd door. Kan toch een glimlach niet onderdrukken. Ik vind ‘m echt fout. En hoe grappig is het dat Bram telkens hem er uit pikt. Alsof Bram voelt wat ik denk. Minder grappig is het dat zijn hond nu gezellig met ons mee loopt. En al blaffend en bijtend Bram te lijf gaat. Foute man loopt ondertussen de andere kant op. Is immers nog altijd druk met telefoon. Ik lijn Bram maar aan. Hoop dat de aardigheid voor de andere hond er af zal gaan. Dat gaat het niet. Zijn baas staat in de verte nog altijd druk te bellen. Uiteindelijk komt hij, zijn ongenoegen zichtbaar verbijtend, zijn hond halen. Telefoon voor even in zijn zak. Hij grijpt zijn hond hardhandig bij zijn halsband, waardoor de hond een stukje los komt van de grond. Zijn ogen staan angstig. “Lekker, zo’n hond die niet luistert." Hij keurt mij – de hemel zij dank - geen blik waardig en stapt met ongedurige grote passen weg. De hond meesleurend. Bram kijkt mij aan. Of hij weer los mag. Dat mag hij. Verlost van zijn blonde belager trippelt hij blij door het natte en vieze gras. Op zoek naar grote stokken.

Het is heerlijk in het park. Het zonnetje prikt gezellig op mijn wangen. Het riet langs de sloot wuift langzaam heen en weer. Ik word er altijd weer door geraakt. Dat mooie blonde riet met grote pluimen. Het maakt me rustig. Bij thuiskomst stap ik uit spijker- en in mijn joggingbroek. Trek de foute pantoffels aan en een dik vest. Ik moet vandaag schrijven. Mijn blad moet weer vol en het nieuws wacht. Blijer kun je me niet krijgen. Niets anders moeten dan dit. Paar uur geconcentreerd werken en dan wat lekkers halen uit je eigen keuken. Even de was in en uit de machine, een rondje met de hond om, nadenken over dat wat je geschreven hebt en vervolgens weer achter de laptop. Door niets en niemand gestoord. Even in mijn eigen wereld. Door het internet zwervend over de hele wereld. Hoe lekker is het. Ik mag het. Ik heb de vrijheid en het vertrouwen. Hoeveel geluk kun je hebben? Ik heb het.