19. feb, 2015

Rapport

Of ik even zijn rapport wil tekenen. Huh? Rapport? En nu tekenen? Net als ik op het punt sta om naar mijn werk te gaan? ‘Tja, mam, ik had ‘m per ongeluk al een week in mijn tas zitten.’ Per ongeluk? Ik kijk mijn kind bedenkelijk aan. Nou ja, niet per ongeluk. Hij was enigszins bang dat ik misschien wel eens boos zou kunnen worden. Ik en boos. Het is niet geheel ondenkbaar. Als ik zeg dat ik nu weg moet en het ’s avonds wel zal tekenen, hoor ik wat gestamel. Schoorvoetend zegt hij, wit om zijn neus en met zijn bovenlijf zenuwachtig draaiend, dat hij het rapport die ochtend in moet leveren. Godallemachtig. Ik probeer me in te houden, maar schiet behoorlijk uit mijn slof. Mijn bloed golft door mijn lijf. Ik teken met de pen die hij al in zijn hand heeft, maak nog snel een foto van het rapport met mobiel en sis woedend dat hij moet maken dat hij weg komt. Hij schuttert nog wat na, zegt nog zachtjes sorry en stapt met afgezakte schouders op zijn fiets. Mijn grote vriend. Verdrietig en boos. Omdat ik dat ook ben. En dat oh zo duidelijk laat merken.

Ik stap in mijn auto en laat de radio uit. Ik ben woest. Omdat zijn rapport nog net zo beroerd is als dat ie was. Omdat hij er twee voor twaalf mee komt. Maar hij had gelijk. Ik werd boos. En niet zo’n beetje ook. Maar waarom ben ik zo boos? Ben ik boos omdat hij er zo laat mee komt? Ja. Of ben ik zo boos omdat hij mij teleurstelt? Hij niet die ambitie heeft die ik wel heb? Hij niet laat zien wat hij allemaal in huis heeft? Hij zich niet aan zijn afspraak heeft gehouden? Het is het allemaal. Een combinatie daarvan. Ik mag boos zijn. Ik weet het. Maar wat mij het meeste raakt, is zijn lichaamshouding als hij mij aanspreekt. Inderdaad op een fout ogenblik. Maar hij is zenuwachtig. Staat voor het blok. Bang voor mij. Bang voor mijn uitbarsting die ongetwijfeld volgt.
Het zet me aan het denken. Want dat laatste, voelt niet goed. Hij is bang voor mij. Ik ben zijn moeder….De macht die ik daarmee blijkbaar over hem heb, voelt zo niet oké. Natuurlijk ben ik wel eens, terecht of onterecht, waanzinnig tegen hem uitgevallen. Ben tenslotte ook maar een mens en heb de laatste jaren ook het nodige voor mijn kiezen gekregen. Dat de mensen die mij lief zijn, dan ook deelgenoot worden van mijn uitbarstingen… Het is niet te voorkomen. Gelukkig kennen ze ook mijn andere kant. Het houdt de zaak in evenwicht. Maar misschien moet ik eens leren tot tien te tellen. Zodat ik het goede voorbeeld kan geven. Me niet altijd moet laten leiden door mijn gevoel. Dat temperament. Het zit me ook nu weer in de weg.

Ik pak mijn mobiel. App naar hem dat hij dit niet meer zo moet doen. Dat het enige dat ik van hem verwacht, hij er voor gaat en eerlijk is. Meer hoeft niet. En dat ik hem succes wens met zijn toets van die ochtend. Hij appt terug. “Ok”. Net zijn vader. Niet te veel woorden. Helemaal niet als hij boos is.

Als ik ’s avonds binnen kom, grijnst hij schaapachtig naar me. Ik geef ‘m een high five en een kus. We kijken elkaar aan. Hij heeft de afwasmachine uitgeruimd. Twee keer de hond uitgelaten. Zijn huiswerk gemaakt. Toe maar. Mag toch hopen dat het kwartje is gevallen. Ik kijk nog eens naar hem. Zijn blonde lange haren. De pukkels. Zijn grote nog onhandige lijf. Mijn grote kleine vriend. Waar ik af en toe tegen aan mag leunen. Die mij kent als geen ander. Waar ik mee kan lezen en schrijven. Die soms al zo groot en soms nog zo heerlijk klein is. Mijn grote kleine vriend. Hij komt er vast wel.