15. feb, 2015

Silly Love Songs

Het is zondag. Ik heb raar gedroomd. Zal ‘m niet opschrijven, want het zou her en der de gemoederen behoorlijk opschudden. En het laatste wat ik wil, is de boel opschudden. Alhoewel...

Er schijnt een aarzelend zonnetje door mijn slaapkamerraam en ik heb zin om te gaan lopen. Nee, niet hardlopen. Dat gaat echt niet met mijn knie. Het werd me zelfs verboden door de laatste knieënmeneer die ik raadpleegde. Lekker dan, ik had me toen net nieuwe supersonische peperdure hardloopschoenen aan laten meten. Nou ja. Ze waren achteraf toch mijn kleur niet (met roze als accent). Toch kijk ik scheel van jaloezie naar al die hardlopers langs de weg. Het lijkt me zo heerlijk om te kunnen doen.
Nee, mijn lopen is op het moment het lopen in een straf wandeltempo met Blondie. En Blondie, die verafgoodt me. Althans, die verheerlijking begint als ik zijn riem pak en eindigt als ik één voet over de drempel naar buiten heb gezet. Dan is het zijn tijd en ben ik vergeten.

Na rondje park bulk ik nog van de energie. Het belooft een mooie dag te worden. Ik werk op mijn gemak een uitgebreid ontbijt naar binnen met de mannen en vraag aan de grootste van de twee of die mijn banden op wil pompen. Van mijn racefiets. Jawel. Het gaat gebeuren. Ik ga de weg op. Oef. Wat moet ik veel aan. Ondershirt, bovenshirt en jas. Winterwielerbroek, sokken. Mijn schoenen. Oortjes, iPod, bidon. Telefoon voor in geval van nood en om mijn fietskilometers (en verbrande calorieën) bij te houden. Check, dubbelcheck. Ik kan op pad. Ik kies voor mijn supersonische carbonframe. Vorig jaar in een vlaag van verstandsverbijstering gekocht. Ik wilde graag een mannenframe. Stukken stoerder. Zo vond ik. Had mijn schoonvader daarvoor al heel lang heel lief aangekeken, maar ja. Zonder resultaat. Het frame dat hij ooit speciaal voor mij bouwde, betreft een damesframe. Mooi. Heel mooi. Maar niet zo stoer. Toch fietst die zo veel beter dan dat stijve carbonding. Tot het bouwen van een herenframe is het helaas niet meer gekomen. Via via heeft mijn schoonmoeder nu dan toch nog een fiets voor me opgeduikeld. Een oudje. Een echte. Van zijn hand. Ik heb ‘m nog niet gezien, maar er nu al zin in. Nu maar hopen dat ie me past.

Ik ga voor stoer vandaag. Voel me de hele week al buitengewoon stoer en dat zal men weten ook. De zon is ver te zoeken. Een grijs wolkendek hangt wat troosteloos boven me.
Ik trek de trainings-handschoenen van mijn zoon aan. “Neem die zwarte, past overal bij”, ik hoor het mezelf nog zeggen. Inderdaad. Ze staan prima bij mijn zwarte fietsjack. Met speciale stukjes stof op de vingertopjes, om de mobiel tijdens het sporten te kunnen bedienen. Altijd handig. De handschoenen passen qua kleur perfect bij mijn outfit. Maar, ze zijn wel veel te groot. Grrrr. Ik was even vergeten dat alles is gegroeid bij mijn kind. Toch trek ik ze aan. Bij gebrek aan beter. Het zijn of deze of foute leren. 

Het is koud. De heenweg trap ik vederlicht. En ga als een raket door het polderlandschap. Het fietsen op zolder heeft geholpen, zo denk ik tevreden. Ik kies voor mijn favoriete route, die over de dijk. Altijd heerlijk om als heer en meester over die dijk te rijden. Ware het niet dat ik de wind schuin tegen heb. En die wind is koud. Het is 2 graden buiten. Hard trappen dan maar. Mijn te grote handschoenen zorgen voor koude vingers. De muziek in mijn oren is iets te enthousiast gekozen. Toch trap ik verbeten door. Ik laat me niet kennen. Wil immers van die buik af en hoop stiekem op wat meer gestroomlijnde strakkere benen. Het is alleen jammer dat ze niet een stuk langer kunnen worden. 

De zon laat het inmiddels volkomen afweten. De wind striemt in mijn gezicht. Ik heb geen helm op en een muts had geen overbodige luxe geweest. Mijn benen en bovenlijf blijven wel lekker warm. Het laatste stuk heb ik de wind echt pal in het gezicht. Ik ga nul in het uur. Zit ik dan. Sneu op een weliswaar stoere fiets, maar waarvan ik de pedalen eigenlijk niet meer rond krijg. Ik moet nog een kilometer of wat. De muziek die ik op heb, is van mijn echtgenoot. Meestal niet helemaal mijn keuze, maar om te fietsen in de regel altijd prima geschikt. En net, net als ik echt denk dat ik achteruit rijd, hoor ik ‘m. Het liedje waar ik altijd weer blij van word. Ik heb, heel gek, net als hij, ook wat met de titel. Silly Love Songs. Paul Mc Cartney. Natuurlijk staat deze er tussen.
Ik krijg voor even weer vleugels. Ook al moet ik er flink mee klapwieken, ik kom in een opperbest humeur thuis. Ik heb het ‘m toch maar weer geflikt.