5. jan, 2015

Een goed begin

Maandag. Als ik opsta is het donker. En koud. Vooral koud. Op mijn foute Kerstpantoffels slof ik somber de trap af. Struikel over een verdwaalde sporttas van zoonlief en breek haast mijn nek. De kop is er af. Ik begin de week lekker.

Ons superieure volautomatische espresso-apparaat heeft het begeven en ik moet het dus doen met mijn eigen Italiaanse prutteltje. Ik maal de bonen en smeer wat boterhammen. Stapeltje mee voor kind, stapel mee voor moeder. Ook al ontbijt ik iedere ochtend, voor tien uur is mijn lunch al achter de kiezen. Eenmaal achter bureau en computer, draait mijn spijsverteringsstelsel ronduit soepel. En wie ben ik dan om één en ander te negeren. Vier boterhammen zijn dan niets, eventueel aangevuld met een grote plak ontbijtkoek.
Ik lees de krant en heb zo geen zin in kantoor. Man en kind liggen nog op een oor. Allebei omdat ze later mogen of kunnen beginnen. Hond kijkt vragend naar me op. Zijn donkere fluwelen ogen spreken boekdelen. Op de gang is een kat luid aan het miauwen. Ik voel me net een vogel op een groot nest. Met alleen maar hongerige bekkies te vullen.

Ik spring onder de douche en verbijt mijn tegenzin bij het afdrogen. Die warme douche is een godsgeschenk, het afdrogen nou net weer niet. Ik blijf dat een drama vinden. Het liefst laat ik me opdrogen. Languit op bed. Maar ja. Dat kan alleen als ik tijd heb. En die heb ik niet. Omdat manlief nog luid ligt te ronken, kan het slaapkamerlicht niet aan. In het donker grijp ik op de tast wat kleren uit de kast. Voor de zekerheid trek ik het deze keer maar in de badkamer aan. Het zal namelijk niet de eerste keer zijn dat ik, geheel in het zwart gekleed, met een donkerblauwe maillot het huis verlaat. Of met mijn jurk binnenstebuiten. Dat laatste overkwam me vorige week. En ontdekte ik midden in een bespreking op kantoor. Houd je dan de rest van de zitting maar eens goed.

Eenmaal in de auto kom ik langzaam uit de mineur. Ik moet er zeker een half uur in zitten, dus zet ik de kachel lekker hoog. Het is druk op de weg en rustig snor ik achter de meute aan richting kantoor. Ik ben redelijk op tijd (yeah!) en maak me niet al te druk. Bovendien is dit een kantoor waar men in de regel totaal niet moeilijk doet als ik wat later binnenkom. En ik dus niet moeilijk ben als ik wat later dan vijf uur weer naar buiten stap. Gewoon omdat het werk af moet, de klant koning is en ik me verantwoordelijk genoeg voel. Zo stond er vorige week een bijna smekende man aan mijn bureau. Of ik alsjeblieft zijn dossier nog in behandeling wilde nemen. Het zou hem oh zo veel geld besparen. Voor geld ben ik nooit gevoelig, maar voor dat appèl op mijn gevoel weer net wel. Alhoewel we tot onze oren in het werk zaten, zei ik hem toe het te proberen. Ik was gezwicht voor zijn vragende ogen. Hij keek namelijk net zo als mijn hond. Toen ik hem dat ook zei was de toon gezet en een band gesmeed. De zaak kwam na veel vijven en zessen rond. Kroon op mijn werk toen de man blij mijn hand schudde en me bedankte. Het genoegen was geheel aan mijn kant.

Maar hoe heerlijk is het als ik vanmorgen bij binnenkomst een grote fles op mijn bureau zie staan. Champagne. Van een gerenommeerd merk. Afkomstig van die dankbare meneer met die trouwe hondenogen. Slik. Ook nu is de toon gezet. De week begint echt lekker.